Ommen in oude ansichten

Ommen in oude ansichten

Auteur
:   G. Steen
Gemeente
:   Ommen
Provincie
:   Overijssel
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-5820-6
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Ommen in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Daar de hierna volgende verzameling afbeeldingen pas een aanvang neemt in het eind van de vorige eeuw, is het nuttig dit boekje in te leiden met een beknopte beschrijving van de oudere geschiedenis van Ommen. Voor de bewoning van deze streek is de aanwezigheid van de rivier de Vecht van het grootste belang geweest. Oorspronkelijk was de Vecht een smeltwatergeul, die het overtollige water uit de latere ijstijden afvoerde naar het lagere westen. De uitgestrekte vlakte tussen de Sallandse heuvelrug en de Drentse hoogvlakte bestond toen uit grote moerasgebieden.

Langs de Vecht vormden zich door het stuifzand, dat na de overstromingen achterbleef, hoogten waar zich al zeer vroeg mensen vestigden.

Zo worden op deze gronden bewerkte vuurstenen uit het Mesolithicum (8000-4000 v. Chr.) gevonden, terwijl zich in de buurtschap Stegeren een pre-historisch grafveld bevindt uit de Bronstijd (1600-700 v. Chr.). Uit deze verspreide nederzettingen vormden zich langzamerhand de buurtschappen. Hield men zich oorspronkelijk bezig met jacht, visserij en bewerking van de schaarse landbouwgronden, langzamerhand vonden veeteelt en landbouw ingang; ook werden er betere woningen gebouwd. Hieruit ontstonden de zgn. marken, zelfstandige boerengemeenschappen met een sterk solidariteitsgevoel, het zgn. "Naoberschop".

Ook Ommen was oorspronkelijk een van de marken aan de Vecht. Door de noordelijke moerassen had men een weg gevonden naar deze rivier, waar een doorwaadbare plaats was. Met de Vecht zelf als een voor die tijd belangrijk vaarwater, lag Ommen dus op een kruispunt, dat zowel in handels- als in strategisch opzicht belangrijk was.

De snelle ontwikkeling van Ommen was echter niet altijd een voordeel. Zo verzamelde bijv. bisschop Otto I I van V trecht hier in 1215 een grote legermacht, waarmede hij de hem afvallige Rudolf van Coevorden bestreed. De bisschop leed in deze strijd een jarnmerlijke nederlaag.

Bisschop Otto III yond de beveiliging van deze plaats al spoedig van zo'n groot belang, dat hij besloot Ommen in 1248 stadsrechten te verlenen, waardoor het dezelfde vrijheden verkreeg als Deventer, Kampen en Zwolle. Ommen werd toen van muren en poorten voorzien. Bisschop Johan van Arkel bevestigde deze vrijheden nog eens in een privilegebriefvan 1343. Behoorden de bewoners oorspronkelijk tot mens en uit de landbouwende stand, al spoedig vestigden zich hier ook neringdoenden en allerlei kooplieden. Na het voldoen aan bepaalde verplichtingen kon men dan "borger" van Ommen worden. Men had het voorrecht van een zekere beveiliging binnen de muren tegen de

gevaren van het platteland, waartegenover echter ook weer eisen werden gesteld als bijv, medewerking aan de verdediging der stad in tijden van gevaar, het doen van stadswerken enz.

Er werd een soort verordening vastgesteld, genaamd de Stadswillekeur, waarin aile rechten en plichten waren omschreven en waaraan ieder wettig inwoner onder ede verplicht was te voldoen.

Tot de stad gaven drie poorten toegang: de Brugge- of Vechtpoort, de Varsenerpoort en de Arrierpoort, Deze poorten werden bij zonsondergang gesloten. Vooraf luidde men de klokken, het zgn. Ave-Mariakleppen, Een gebruik dat hedentendage nog in ere wordt gehouden.

Buiten de wallen yond men de Haghen, gronden soms met bomen beplant, waar de inwoners wandelingen konden maken. Oude namen zijn de Stadshaghen, de Bijlenhaghen en de Kloosterhaghen. Buiten de stadspoort yond men ook de plaats waar veroordeelden werden terechtgesteld, de zgn. Galgenbelt.

Daar de meeste huizen van hout waren gebouwd met strooien daken, was het brandgevaar in droge tijden zeer groot. In 1517 ontstond hier een ontzettende brand, waardoor er van Ommen maar weinig overbleef. Bisschop Philips van Bourgondie liet toen ook maar de muren omver werpen en de poorten slopen.

In de Spaanse tijd is Ommen vaak het terre in geweest van rampen en tegenspoeden. In 1568 waren hier de Spanjaarden, onder de hertog van Alva, die groot onheil onder de burgers aanrichtten; in 1587 waren hier weer de Spaanse troepen onder Verdugo, vier jaar later de troepen van Prins Maurits en in 1622 wederom de Spanjaarden onder Spinola.

Telkens werd de stad gebrandschat en werden de huizen geplunderd. Teneinde aan de stroop- en rooftochten het hoofd te bieden, werd in 1628 de Ommerschans gesticht.

Ook leed Ommen tijdens de bisschoppelijke oorlog (1665) veel, zowel van de Munsterse als van de Staatse troepen. Toen aan al deze tegenspoeden een einde was gekomen, zuchtte de stad Ommen onder zware financiele zorgen. Er werden allerlei belastingen ingevoerd, hetgeen weer leidde tot oproer onder de burgers en opstand tegen de magistraat. Gelukkig yond men eindelijk in de persoon van de secretaris Jan Friesendorp iemand, die tegen aile moeilijkheden opgewassen bleek te zijn en orde in de stadsfinancien bracht.

Zo leefde men in Ommen tot aan de Franse tijd als een niet onbelangrijke gemeenschap in het Overijsselse platteland. Vermeldenswaard is nog de grote jaarmarkt, de Bissing, die reeds in 1557 vermeld wordt. Van he inde en verre stroomden dan de bezoekers toe.

Tijdens de Franse overheersing waren ook hier de inwoners verdeeld in twee groepen, de Oranjepartij, genaamd het "Corps van Anthoni Visscher" en het Patriottische Genootschap met de zinspreuk "Voor Vaderland en Vrijheid", Vanzelfsprekend kwam het tot herhaaldelijke botsingen. De patriotten hadden een nog al grote aanhang en traden voortdurend aanmatigendop.

Na de inlijving bij Frankrijk kreeg Ommen, verenigd met het kerspel, een nieuwe burgemeester of maire. De keizer benoemde daartoe I. Amama Chevallerau. De familie Chevallerau woonde hier reeds voor de Franse inval en verschillende leden van deze familie hebben ook na de overheersing vooraanstaande posities in Ommen bekleed.

Na de val van Napoleon werd alles weer in normale banen geleid. Het bestuur van de gerneente, met assessoren en gemeenteraden deed veel voor verbetering van de stad. Zo werden de straten verhard en kreeg men in 1828 een nieuw stadhuis.

Ook de zandwegen naar de omliggende plaatsen werden verhard. Hierdoor kwamen de buurtschappen ook meer uit hun isolement, hetgeen tot gevolg had dat de gebondenheid aan tradities en gewoonten steeds geringer werd.

In 1903 kwam de treinverbinding met Zwolle tot stand.

Voordien yond het vervoer van reizigers plaats met de diligence, terwijl de postkoets van Hardenberg naar Zwolle zorgde voor het briefverkeer.

Vooral de laatste tientallen jaren heeft Ommen zich sterk ontwikkeld. Door de padvinderij werd het natuurschoon van Ommen .xmtdekt", hetgeen tot een enorme uitbreiding van het toeristenverkeer heeft geleid. Dit laatste moet dan als een compensatie worden beschouwd voor het feit, dat Ommen geen industriegemeente is.

Veel mensen uit drukke streken kiezen hier hun woonplaats. Dit schept vanzelfsprekend weer vraagstukken omtrent de woningbouw, aan welk probleem echter met energie wordt gewerkt.

De Vereniging voor Vreemdelingenverkeer geeft aan hen, die hier voor de vakantietijd rust en verpozing zoeken, de meest uitgebreide inlichtingen, terwijl de "Oudheidkamer Ommen" o.a. met een interessante verzameling geologische vondsten, ieder die belangstelling heeft, op de hoogte stelt van Ommens verleden. Speciale dank ben ik de heer H. Oldeman verschuldigd, voor zijn gewaardeerde hulp bij de samenstelling van dit boekje.

6

De raden der gemeenten Stad- en Ambt-Ommen, bij het afseheid van burgemeester Mr. A. G. W. Baron Bentinek in 1916. Staande van links naar reehts: H. Marsrnan, J. R. van der Vegte, M. Kortman, E. J. Stoeten (ambt.), H. J. Groternarsink, J. H. Grootenhuis (ambt.), H. Meinderink, H. J. Gerrits, H. van Elburg (ontv.), B. J. Grootenhuis, J. Jutten, L. Wind, B. J. lmmink, J. H. van der Bent. Zittende van links naar reehts:

F. A. Rovers, H. Haasjes, M. Hernstede, Mr. A. G. W. Baron Bentinek (burgem.), G. Paarhuis, G. Ekkel (seer.) en A. J. Pijlman.

De laatste raad der voormalige gemeente Stad-Omrnen, v66r de vereniging van beide gemeenten in 1923: staande van links naar reehts: E. J. Stoeten (seer.), G. Wieherson, A. J. Pijlman, H. Munneke, J. H. van der Bent, J. Hurink. Zittende van links naar reehts:

K. Petter (weth.), C. E. W. Nering Bagel (burgem.) en G. Paarhuis (weth.).

7

8

Tijdens de Eerste WereJdoorlog werd een gemeentelijke distributiedienst ingesteld. Van links naarrechts: F. J. Oldernan, Mej. J. Geuzen en G. Poel (dir.).

Distributie van vlees in de oorlogsjaren 1914-1918. Geheellinks de gemeenteveldwachter G. J. Lubbers, in de deur de slager S. van der Hoek. Opname 1915.

9

10

Een klas van de openbare lagere school in 1915. Hoofd: G. E. J. H. Delveaux, onderwijzeres Mej. A. E. Koldewey.

Een klas van de gereformeerde school in 1914. Hoofd: C. Munneke (zittend), onderwijzend personeel H. Pen, F. Fennema en Mej. J. C. E. de Boer.

II

12

De dames G. van Aalderen (links) en Chr. Timmerman (rechts) hebben zich jaren lang verdienstelijk gemaakt met het geven van naailessen aan jongedames. "De naaischool van Chris en Geertien" in 1908.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek