Oosterhesselen in oude ansichten deel 1

Oosterhesselen in oude ansichten deel 1

Auteur
:   J.Y. Dijkstra
Gemeente
:   Coevorden
Provincie
:   Drenthe
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3966-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Oosterhesselen in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

De gemeente Oosterhesselen is een van de vierendertig Drentse gemeenten. Zij is gelegen in het zuidelijk deel van de provincie tussen de stedeliike centra Coevorden, Emmen en Hoogeveen, op de grens van een veen- en een zandgebied. De gemeente telt met haar ongeveer 4500 inwoners vijf dorpen: de hoofdplaats Oosterhesselen, Gees en Zwinderen in het oostelijke zandgedeelte van de gemeente en Geesbrug en het grootste gedeelte van Nieuwlande, die in het westelijke veengebied liggen. Vijf dorpen die sam en een lange geschiedenis hebben meegemaakt en die in het leven van alledag sterk op elkaar zijn aangewezen.

Het gemeenschapsleven lijkt op het eerste gezicht misschien wat ingewikkeld van structuur. Tal van kerkelijke, politieke en andere organisaties hebben leden in twee en vaak zelfs in drie dorpen. Slechts een klein deel van het gemeenschapsleven bestrijkt de gehele gemeente. Een boekje dat een beeld wil geven van het leven in de gemeente Oosterhesselen van rond de eeuwwisseling en de eerste tientallen jaren daarna, kan en mag aan deze historisch gegroeide structuur uiteraard niet voorbijgaan. Want men kan de historie van het dorp Oosterhesselen niet beschrijven zonder melding te maken van Gees en Zwinderen. Ook kan men niet een verhaal verteilen over Geesbrug zonder Nieuwlande te noemen. En het westen van de gemeente kan men in elk geval niet los zien van het oosten. Daarom heeft het boekje dan ook betrekking op een gemeente met vijf dorpen en is het sam engesteld door een werkgroep van inwoners van aile dorpen. Dank zij de medewerking van velen is de werkgroep erin geslaagd, de hiernavolgende coilectie

van oude foto's met toelichtende onderschriften samen te stellen. Zij hoopt nu maar, dat het boekje bij de kijkers en lezers een goed onthaal zal vinden! Boven maakten we melding van een lange geschiedenis, Aan deze lange, maar veelzijdige en boeiende geschiedenis gaat een nog veel langere prehistorie vooraf. In het bestek van dit boekwerkje kunnen wij van geschiedenis en prehistorie slechts een beknopte samenvatting geven. De historie speelde zich - althans wat de tijdsduur betreft - voor het grootste gedeelte af in het zandgebied, want het veen - en heidegebied in het westen was tot diep in de vorige eeuw moeilijk toegankelijk en in elk geval niet bewoonbaar.

De lange prehistorie begint volgens de nu bekende aanwijzingen ongeveer 10.000 jaar voor onze jaartelling, als mensen van het "Tjonger"-volk, waarschijnlijk slechts voor korte tijd, bij Gees hun tenten opslaan. Tenten, want de Tjonger-mensen waren zwervende jagers, die al beschikten over pijl en boog. Ook uit later tijd zijn er tal van archeologische vondsten in de gemeente gedaan; de bekendste zijn wei die van een bronstijdgrafheuvel (de "Grevenberg"), een rijengrafveld bij Oosterhesselen, en een palissadendorp, raatakkers en zogenaamd RuinenWommels aardewerk bij de staatsbossen te Gees. Vooral de te Gees gedane vondsten hebben bij vakmensen vermaardheid gekregen.

Zoals overal elders begint ook in onze gemeente de geschiedenis als er historische documenten zijn. In het begin van de dertiende eeuw, nog vrij vroeg voor Drenthe, worden onze drie zanddorpen voor het eerst

in schriftelijke stukken genoemd. Bisschoppen van Utrecht - zeals bekend toentertijd kerkelijke topfunctionarissen, maar tevens graven van Drenthe bevestigen bij die gelegenheid het klooster te Ruinen in zijn bezittingen te "Oesterhelsel", "Gies" en "Swinre". De bisschop die "Swinre" noemt heet Otto van Lippe en wellicht heeft u het al geraden: hij komt uit de familie van prins Bernhard. Tevens is hij de man die met zijn gevolg van strijdbare ridders in 1227 door de opstandige Drenthen bij Ane het moeras wordt ingejaagd om er niet meer uit te komen.

In deze tijd wordt in een schriftelijk stuk tevens de naam Hermannus Clinke genoemd. De familie Clinke bewoonde eeuwenlang de havezate "De Klencke", die in haar oorspronkelijke vorm vermoedelijk bedoeld was als een versterking ten behoeve van het bisschcppelijk gezag op een strategische plaats aan het Drostendiep. Misschien heeft de ligging van de havezate vlakbij Oosterhesselen ertoe bijgedragen dat in dit dorp in de veertiende of vijftiende eeuw de kerk werd gebouwd, die er nu nog staat, zij het dan ook door de tand des tijds aangetast. Na de stichting van de kerk zouden Oosterhesselen, Gees en Zwinderen tot het eind van de achttiende eeuw het kerspel (kerkelijke en bestuurlijke eenheid met het kerkdorp als centrum) Oosterhesselen vormen. Na de Franse tijd bleef Oosterhesselen de hoofdplaats van de toen gevormde gemeente, a1hoewel Gees tot na de tweede wereldoorlog het grootste dorp was.

Hadden de drie dorpen in bestuurlijk opzicht met een boven zich gestelde en in de loop der eeuwen wisselende overheid te maken, in wezen bleven zij zoals

aile oude Drentse zanddorpen tot ver in de negentiende eeuw vrije boerengemeenschappen. Slechts de schulten en later de eerste burgemeesters verpersoonlijkten het hoger gezag, De dorpszaken werden geregeld door de eigenerfden, boeren met een eigen erf, in hun drie boermarken. De na de Franse tijd op bevel van het verre "Den Haag" ingestelde gemeenteraad had voorlopig nog niet zoveel in te brengen. Elk voor zich waren de drie dorpen puur agrarische gerneenschappen; zelfs de dominee (vroeger de pastoor) en de schoolmeester-voorzanger-koster te Oosterhesselen beoefenden de landbouw als nevenbedrijf!

Naar buiten waren de drie gemeenschappen duidelijk besloten, terwijl ze naar binnen een sterk open karakter hadden. Besloten waren de dorpen a1lereerst in aardrijkskundig opzicht. Er waren niet zoveel contacten met de buitenwereld. Naar het westen was men zelfs vrijwel geheel geisoleerd. Was men de groenlanden van Gees en Zwinderen gepasseerd, dan begonnen de onmetelijke heidevelden en veengronden van het Geser Buitenveld - meestal kortweg Geserveld genoemd - en het Zwinderseveld, die op hun beurt weer onderdeel uitmaakten van een reusachtig veen- en heidecomplex, dat zich uitstrekte tot Zuidwolde (later tot de plaats Hoogeveen en nabije omgeving) en de dorpen van de kerspelen Beilen en Westerbork. Een beslotenheid was er ook in economisch opzicht. De drie gemeenschappen voorzagen zelf in de noodzakelijke levensbehoeften: voedsel, kleding, brandstof, gereedschappen en zelfs bouwmaterialen. Moest er worden gemalen: koren-, pel- en oliemolens waren er binnen het oude kerspel; op een

gegeven moment in totaal zelfs vier stuks! Slechts enkele artikelen werden via "de stad", vaak Coevorden, of door reizende kooplieden (tevens "wandelende nieuwsbladen") geimporteerd. Onmisbaar waren de schapen als leveranciers van wol, vlees en vooral van de mest voor de akker. In de negentiende eeuw werden er duizenden schapen gehouden. De "Hesseler Markt" was toen een bloeiende instelling. In de heidevelden vonden de schapen een onuitputtelijk voedselreservoir.

Naar binnen waren de gemeenschappen open. Er was een hechte sociale controle en de gemeenschappen werden bijeengehouden door een beschermend systeem van burenplichten en -rechten, dat in de loop der eeuwen steeds meer werd verfijnd. Aan deze "naoberplichten" kon niemand zich zonder meer onttrekken. Zij strekten zich uit over het gezin, het huis, het landbouwbedrijf en de publieke werken, die voor de gehele gemeenschap moesten worden gedaan zoals aanleg en onderhoud van wegen, de brand weer en de "nachtwacht". Moest er met betrekking tot de "naoberplichten" iets gemeenschappelijk worden geregeld, dan werd hiervoor gezorgd door de markegenoten of hun volmachten en daarmee was de kring dan weer gesloten. Zelfs de heren van "De Klencke" waren - of schoon zij zich ten onrechte wel eens sierden met de titel "Heren van Oosterhesselen" niet bevoegd de eigenerfden de les te lezen! De Drentse marke was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Sallandse, volgens oud Landrecht vrij van de macht der heren. Hier gold de regel: de boer is baas op eigen grond!

Wij kunnen ons voorstellen dat het vraegere .Jeven op het land" een aantal lezers uit het westen "goed", raman tisch of zelfs ideaal toelijkt, maar wij moeten hen teleurstellen. Het bestaan van de meeste inwoners van de zanddorpen was niet gemakkelijk en zeer sober, alhoewel men ook momenten van vreugde ken de. Het leven kon redelijk worden genoemd in tijden van vrede, als de nogal eens voorkomende misoogsten en ziekten onder mensen en dieren uitbleven. Een nachtmerrie kon het leven worden in tijden van oorlog. Zo moeten de laatste twintig jaren van de zestiende eeuw, tijdens de tachtigjarige oorlog, ook voor onze zanddorpen onvoorstelbaar moeilijk geweest zijn en dat in een tijd, waarin in het verre Holland de "gouden eeuw" begon. De soldatenstad Coevorden beyond zich in de nabijheid en een belangrijke militaire verbindingsweg liep van Dalen via Gees in de richting Mantinge. Het was de kortste redelijk begaanbare weg, in feite niet meer dan een pad, over land van Coevorden naar de belangrijke Spaanse (en later Staatse) steunpunten Ruinen en Steenwijk. Spaanse en prinsgezinde troepen moeten de weg verschillende malen hebben gebruikt. En de beste burenhulp was niet bestand tegen de plunderende en brandschattende sold at en van beide partijen, die ook de meest afgelegen dorpen wisten te vinden en die in Drenthe een verschrikkelijk onheil hebben aangericht!

Het hierboven in enkele grate lijnen geschetste sam enlevingspatroon werd in de tweede helft van de negentiende eeuw drastisch doorbroken toen de Zuiddrentse hoogvenen moesten worden ontsloten.

Daartoe werd de Hoogeveense Vaart, hier beter bekend als het Kanaal, in de jaren 1857-1861 in oostelijke riehting doorgetrakken en wei dwars door onze gemeente. Zwinderen veranderde geheel van gezieht; het Kanaal kwam dwars door het dorp te lopen en het heeft niet veel geseheeld of Oosterhesselen zou door de aanleg van een zijtak van het Kanaal in de richting Zweeloo het lot van Zwinderen hebben gedeeld. Er is niet veel verbeeldingskraeht voor nodig om te begrijpen hoe de inwoners van de rustige zanddorpen moeten hebben opgekeken van de bedrijvigheid rond het graven van het Kanaal en het vertier dat de honderden arbeiders - "polderjongens" werden ze genoemd - met zieh meebraehten.

Natuurlijk kwamen er ook bruggen over het Kanaal. Zij werden, zoals ook bij de Drentse Hoofdvaart het geval was geweest, vaak genoemd naar dorpen of buurtsehappen in de nabijheid. Bij een van de bruggen, de Geesbrug, ontstond een kleine nederzetting, die op den duur naar de brug werd genoemd en die na de tweede wereldoorlog zou uitgroeien tot het grootste dorp in de gemeente. Met deze uirbouw van Geesbrug kwam een eind aan een stuk woonellende dat zijn ontstaan yond in de barre sociale ornstandigheden waaronder de meeste veenarbeiders en ex-veenarbeiders met hun gezinnen moesten leven. Veel werkers in de venen trokken met de verveningen mee van west naar oost, maar andere bleven. Zij woonden langs het Kanaal, langs het Zwinderskanaaltje (een zijkanaal) en vooral langs de vele voor de turfafvoer gegraven wijken in kleine boerenbehuizingen die, ook al omdat zij vaak van het allergoedkoopste materiaal

moesten zijn, de naam woning veelal niet verdienden. Ook in een ander dorp in het westen van de gemeente konden na de tweede wereldoor1og veel nieuwe woningen worden gebouwd. Hier gold het de uitbreiding van een kleine veenkolonie, die kort voor de laatste eeuwwisseling in het uiterste zuidwesten van de gemeente was ontstaan op een punt waar de verveningen elkaar naderden uit diverse richtingen. Het is te begrijpen, dat de verveners uitgingen van de Jigging van de rechte kanalen en wijken en geen rekening konden houden met de toevallig aanwezige gerneentegrenzen. Zo kwam het dorp, dat na een aantal jaren naar een boerderij Nieuwlande genoemd zou worden, in vijf gemeenten te liggen. Pas enkele jaren geleden kon men door een grenswijziging deze uit administratief oogpunt onhoudbare situatie veranderen.

Niet aileen veenarbeiders, maar ook landarbeiders en jonge boeren stichtten op nog te ontginnen grand in de gemeente tal van in hoofdzaak klein ere landbouwbedrijven, vooral langs het Kanaal. Twee buurtschappen ontstonden hier: Langerak, ten westen van de Geesbrug, en Kanaal, tussen Zwinderen en de Oosterhesselerbrug. Later ontstonden er langs het Kanaal nag twee buurtsehappen: Oosterhesselerbrug, in de omgeving van de gelijknamige brug, en Grevenberg, van Oosterhesselerbrug tot aan de oostelijke gemeentegrens. De toepassing van kunstmest stelde de landbouwers in staat steeds meer woeste grond te ontginnen, of in het Drents "aan te maken". De heidevelden ten zuiden van het dorp Oosterhesselen verdwenen in de loop der jaren vrijwel geheel om tot cultuurgrond te worden hersehapen, want landbouw-

grond was schaars geworden in het Drentse zandgebied. De oude akkers (de essen) en de groenlanden waren allang veel te gering in oppervlakte voor het levensonderhoud van de zich uitbreidende, maar nog steeds vrijwel geheel agrarische bevolking. Bovendien waren de heidevelden niet meer no dig voor de schapenhouderij, Men had nu immers de kunstmest! Mede door de sterk verbeterde kwaliteit van het vee leverde de rundveeteelt aanzienlijk meer op. De dorpskern Oosterhesselen werd mede als gevolg van de ontginningen uitgebreid met de buurt Srnalthaar, oorspronkelijk bestaande uit enkele ontginningsboerderijen en een oudere korenmolen aan de weg naar Dalen. Ook de bewoners van "De Klencke" lieten heidevelden "aanmaken". Zij stichtten even buiten de dorpskern van Oosterhesselen de Van der Wijckshoeve, die onlangs op haar beurt heeft moeten plaatsmaken voor het nieuwe bestemmingsplan "Welvelde" en het nieuwe vormingscentrum van de hervormde kerk.

AI deze ontginningen op kleine schaal waren nog lang niet beeindigd toen al met de grotere werd begonnen. Daartoe werden de heidevlakten van het Geserveld en het Zwinderseveld in fors tempo aangepakt. De aanleiding was treurig; het was de grote, structurele werkloosheid in de veengebieden van het nog niet geindustrialiseerde Drenthe. De handel in turf had tijdens de brandstoffenschaarste in de eerste wereldoorlog nog behoorlijk gefloreerd, maar to en de schaarste overwonnen was, werd de turf weggeconcurreerd door de goedkope steenkool. Daardoor raakten velen geheel of vrijwel geheel zonder be-

staansbron. Tijdens de grote economische cnS1S verergerde de situatie nog. Ook op de zandgronden bracht de crisis werkloosheid. In de veengebieden van zuidoostelijk Drenthe was de toestand echter wel bijzonder triest. Van rijkswege werd ijverig gezacht naar "werkverschaffingsobjecten". Die meende men gevonden te hebben in de ontginningen. Grote complexen woeste grand werden daartoe opgekocht; de boeren spraken niet ten onrechte van een "landhonger". De lange werklozentrams uit Emmen begonnen al spoedig in onze gemeente een vertrouwd beeld te vormen. In de jaren twintig werden de staatsbossen bij Gees als "werkverschaffingsobject" aangelegd. In de jaren dertig volgde de ontginning van het oostelijk gedeelte van het Zwinderseveld, nadat het kanaal Coevorden-Zwinderen was gegraven. Uit een aantal kloeke ontginningsboerderijen langs het kanaal ontstond de buurtschap Nieuw-Zwinderen. In de jaren veertig en vijf'tig werden de ontginningen in het Geserveld voltooid. Toen kondigde zich het tijdperk van de industrialisatie al aan, dat Drenthe zou verlossen van de chranische werkloosheid en voor velen eindelijk voldoende brood op de plank bracht.

In het eerste kwart van deze eeuw was er in het westelijk deel van het Zwinderseveld , rand Nieuwlande en Geesbrug, op geheel andere wijze ontgonnen. De in hoofdzaak in Hoogeveen woonachtige verveners zagen er vanaf ongeveer 1910 voordeel in flinke stukken bijna afgeveende dalgrond te verhuren, of meestal in verkoop uit te geven aan jonge landbouwers, voornamelijk uit de Groningse en Oostdrentse veenkolonien en uit Friesland, die zich, gedwongen door

het tekort aan 1andbouwgronden in hun geboortestreek, a1s gegadigden me1dden. Na de veenarbeiders waren zij de tweede groep immigranten in het "Nieuwe Land".

In het najaar van 1929 vestigde zich in een toen a1 bestaande boerderij te Nieuw1ande een energieke, jonge landbouwer uit Hollandscheve1d. Zes jaar later - in 1935 - was hij, toen nog geen negenentwintig jaar oud, reeds verkozen tot raadslid en tot wethouder van de gemeente Oosterhesse1en. De hierbedoe1de jongeman heette Johannes - of voor zijn omgeving "Jans" - Post, een van de bekendste Nederlandse verzetsstrijders tijdens de tweede were1door1og. Op 16 juli 1944 werd hij in de duinen van Bloernendaal doodgeschoten. Zijn naam zou in de jaren na de oor1og bij een groot publiek een begrip worden door de "Levensroman van Johannes Post", geschreven door Anne de Vries, de auteur van "Bartje" en "Hilde", die geruime tijd in de omgeving van Gees heeft gewoond.

Met de oorlogsjaren - waarover overigens een boeiend verhaal te vert ellen zou zijn - sluiten wij deze in1eiding af, omdat foto's uit die tijd volgens de normen van de uitgever niet meer "oud" genoemd kunnen worden.

De boerengemeenschappen in de zanddorpen, de veenarbeiders, de ontginners en de werklozen, zij allen hebben in een harde strijd om het bestaan de gemeente het gezicht gegeven, dat zij ondanks na-oorlogse veranderingen gelukkig nog steeds bezit. Bovendien werd er zowe1 in het oosten a1s in het westen van de gemeente, een boeiend en gevarieerd

gemeenschaps1even opgebouwd dat er, ondanks de verv1akkende werking van de moderne tijd, nog steeds mag zijn!

De foto's geven u een bee1d van een tijd, waarin er in deze gemeente vee1 veranderde. Enke1e bevolkingscijfers uit deze dynamische tijd: In 1850, v66r het graven van het Kanaal, te1de de gemeente nog slechts 883 inwoners, in 1880 a1 1213, in 1900: 1516, in 1920: 2346 en in 1940: 3102. In de periode waarin de foto's zijn genomen verschenen de eerste burgerwoningen in de dorpen, de verveningen waren nog niet beeindigd en de ontginningen waren al op grotere schaal begonnen. Nieuwe wegen waren er aangelegd en Oosterhesselen was het kruispunt van twee stoomtramlijnen geworden. Actie-foto's van menselijke bedrijvigheid werden in die tijd nog niet vee1 genomen, maar wij hopen, dat wij u met dit boekwerkje in beeld en woord een indruk kunnen geven van een p1atte1andsgemeente in snelle ontwikkeling.

LEDEN V AN DE WERKGROEP FOTOBOEK OOSTERHESSELEN

uit Gees: Hms. Kuipers

uit Geesbrug: H. van Nuil en J. Schone wille

uit Nieuwlande: H. Nienhuis, H. Smit en J.e. de Wilde uit Oosterhesselen: mejuffrouw G. Bekker, J.Y. Dijkstra, J.G. Heling en K. Schepers

uit Zwinderen: H. Klaassen en J. Steegen

1. In dit boekje als eerste een mooie foto van het gemeentebestuur van Oosterhesse1en, gemaakt voor het gemeentehuis aan de Geserweg ter gelegenheid van het vertrek van burgemeester-secretaris Jan Gerard Legro, hier in functie van 1910 tot 1929, naar Ee1de. Op de foto wordt de heer Legro, naar wie de Burgemeester Legroweg te Nieuw-Zwinderen is genoemd, geflankeerd door de wethouders Klaas Tietema (links) en Harm Draaijers. Staande van links naar rechts: de raads1eden Frederik Blokzijl, Jan Welting, Lambertus Havinga en Hendrik Veenstra. Raadslid Roelof Lanting kon helaas niet aanwezig ziin bij het nemen van de foto.

OOSTERHESSELEN

2. Groot feest in 1903 bij de ingebruikneming van de tramlijn Hoogeveen-Nieuw Amsterdam! Bovenstaande foto geeft een beeld van de feestelijkheden in het dorp Oosterhesse1en bij het in 1902 geopende cafe en "Tramhotel" peen.

Nagenoeg op hetzelfde punt en omstreeks dezelfde tijd werd de mooie omslagfoto genomen. Op deze foto staat de tram uit Hoogeveen klaar voor vertrek. Bij het cafe herken den wij cafehouder-bakker Martinus Deen en zijn kostgangster mejuffrouw Grietje Clewits, onderwijzeres. Voorts ziet men nachtwacht Albert Engberts, de conducteurs De Jonge en Leijssenaar en machinist Engels en achter hen veldwachter Harm Koopman.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek