Ophemert en Zennewijnen in oude ansichten deel 2

Ophemert en Zennewijnen in oude ansichten deel 2

Auteur
:   R.J. van Ooijen
Gemeente
:   Neerijnen
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-2456-0
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Ophemert en Zennewijnen in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

~

..? ·i"1!t.,._

~ ?.... -.

11. Een foto van omstreeks 1900 op het steenoventerrein, waar even werd geposeerd voor de fotograaf, dus een moment rust.

Laten we beginnen de personen aan u voor te stellen. Van links naar rechts: Leen Papo, Kees Sterk, Frans Callaars, Stien Callaars, Nol van Heusden, Jan de Jong, met voor hem Hendrik van Verseveld, een onbekende, Baas Ringelensteijn, Toon Kusters, Willem Kusters, Jan Callaars (de machinist) en Hendrik van de Weteringh. De twee kindertjes voor baas Ringelensteijn zijn - ook volgens mededeling van Kaatje van de Weteringh - Bas van Dee en Jan Willem Ringelensteijn.

In het kort vertellen we hoe het op een steenoven in zijn werk ging: de tichelklei werd vanaf de Vlaswaard en de Benedenste Vlaswaard naar de steenfabriek gebracht. De waarden zijn daardoor meer dan een meter afgegraven. Voor het vervoer van de klei werd een tijd lang een treintje gebruikt. In 1929 is het spoorlijntje afgedankt. De klei werd op de steenoven op een hoop gegooid, een zogenaamde aardwal. Dan kwam de moddermaker in actie. De klei, vermengd met water, werd met de voeten getrapt tot een smeuige massa, die daarna door een wals ging en dan in vormen werd geperst. De ontstane kleimoppen werden dan te drogen gelegd en moesten regelmatig gekeerd worden. Dit was - vond men toen - typisch een vrouwenwerk. Met rieten matten werden de stenen tegen de regen beschermd. Hiervoor was een speciale werkman in dienst, die matter werd genoemd. Rond 1900 gaf de steenoven werk aan zo'n 50 tot 55 mensen in het hoogseizoen, de zomerperiode dus. In de jaren dertig, de crisistijd, heeft de oven enige jaren stil gelegen. Geen stenen, maar ook geen werk ...

12. Nogmaals een foto van de steenfabriek van omstreeks 1910. We stellen de personen aan u voor: eerste rij, van links naar rechts: Hendrik van Verseve1d, Wout de Jong en zijn zoon Hannes en Sander de Bie.

Tweede rij: Nol van Heusden, Baas Ringe1ensteijn, een onbekende (bij het paard), achter het paard rechts Piet van Heusden, dan weer een onbekende.

We hebben nog verschillende namen van mensen die op de fabriek werkten: Toon van Meurs (koetsier, hij haalde eens per week de eigenaar van het station van Tiel), WiDem Papo, Wim Gijsen, Lenus van Lith, Dirk van Tussenbroek, Gerrit van Tussenbroek, Gijs van Tussenbroek, Huibert de Bie, Piet de Bie, Leen Papo, Cor van de Weteringh, Kaatje van de Weteringh, Jan de Jong, Hannes de Jong, Rijk van Verseveld, Cor de Bie, Gradus Kusters, Frans Visser, Dirk Visser, Arie, Dirk, Kees en Jan Kusters, Bart van Tintelen, Rijk en Rut van de Weteringh, WiDem van Zw01 en Dirk de Bie, Goris en Bas van Dee, de familie Drost en de familie Van der Sluis. Machinisten waren Ursin us en Kees Smits. We weten dat we niet iedereen hebben genoemd, maar wij konden niet meer achterha1en dan dit.

Op het plaatje is een aantal steenfabrieksarbeiders bezig de veld oven op te bouwen. Alles moest met de hand gebeuren. Elke steen was met recht handgevormd. Het was hard en zwaar lichamelijk werk. Onze hoofdonderwijzer G. van Woerkom was in 1874 erg blij met de wet op de kinderarbeid, getuige zijn schrijven aan de baron: Ik heb niet gedacht, dat den wet op den kinderarbeid in fabrieken hier ook vruchten zou gedragen hebben. De kinderen van Zennewijnen, die op de Steenplaats werkten, heb ik daardoor op school gekregen. De veldarbeid is hier echter 't wormstekige deel van 't Schoolverzuim ...

Als alles opgebouwd was, werden de kleirnoppen met oude stenen afgedekt, met zo hier en daar een schoorsteentje. Dan kon het stoken beginnen. De stoker was dag en nacht bezig met het vuur. Hij moest een strozak meenemen en sliep dan bij de veldoven. Tijdens het klei afgraven is in 1930 door Gradus Kusters uit Zennewijnen een Romeins gedenkteken, gewijd aan een Germaanse godin, gevonden. Deze steen is overgebracht naar het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden.

13. In die tijd gingen er ook stenen van de steenfabriek naar het buitenland. Dit gebeurde per schip. Het schip dat wij op de foto zien is een schoener met zeilen en hulpmotor. Midden vorige eeuw kwam in de Groningse veenkolonien een nieuw soort vrachtvaart op gang. Turfschippers die in de veenkolonien geen werk meer hadden, gingen met kleine zeilschepen, Groninger Kof genaamd, naar Scandinavie, Duitsland, Polen, Rusland en Engeland om vrachten te vervoeren, voomamelijk hout, strokarton en aardappelen. De laatste twee produkten kwamen uit de veenkolonien, Deze vrachtvaart werd kustvaart genoemd, omdat de meeste schepen maar enkele mijlen uit de kust voeren, behalve naar Engeland. Eind vorige eeuw was deze vrachtvaart zo toegenomen dat men ging zoeken naar grotere schepen. Zo ontstond de schoener, een metalen schip, dit in tegenstelling met de kof, die van hout was. De schoener heeft als model gediend voor de huidige coasters.

Het laden van stenen was een tijdrovend werk en er was veel mankracht voor nodig. De stenen werden van man tot man aan boord gebracht en vervolgens in het ruim gestouwd. In die tijd laadde men ongeveer 190 ton stenen. Op de zijkant van het schip was een bepaald laadteken aangebracht, plimsoll-merk genoemd. Aan dit merkteken kon men zien hoe ver het schip was afgeladen. Voor de Waal en de zee golden verschillende maten. Daar de stenen naar Engeland gingen, voer het schip over de Waal richting Rotterdam, via de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee. De overtocht naar Engeland duurde ongeveer anderhalve dag. In Engeland werden de stenen gelost en het schip voer leeg of geladen terug naar Nederland. En dan weer stenen laden bij de steenfabriek te Zennewijnen. In die tijd kon men spreken van een soort lijndienst met stenen van Zennewijnen naar Engeland.

14. Over de Waalbandijk gaan wij terug naar Ophemert. Even voorbij de stoep van de Hermoesestraat zien wij tussen de bloeiende boomgaarden een wit gepleisterd boerderijtje, dat werd bewoond door de familie Van Tuil. Voor de woning zitten op een bankje de ouders van Jan van Tuil, fotograaf, die vorig jaar is overleden. Het boerderijtje wordt thans bewoond door de farnilie De Vos.

De foto dateert van omstreeks 1920.

15. Verder lopend zien we in de verte de molen. Eigenaar van de molen was Van Aalst en molenaar in het begin van deze eeuw was de heer Broertjes. Deze had het molenaarsvak geleerd onder andere in Linschoten, op diverse molens in West-Friesland, Brakel en Varik.

In Varik heeft molenaar Broertjes zijn vrouw leren kennen. Deze was toen in betrekking bij dominee Roseboom. Wanneer Broertjes met zijn aanstaande vrouw wilde wandelen, moest Wj altijd als een soort oppas de kleintjes van de dominee meenemen. Toen Broertjes als molenaar in Ophemert kwam, kon hij met zijn vrouw in het door Van Aalst nieuw gebouwde huis bij de molen gaan wonen. In dit huis zijn alle kinderen van het gezin Broertjes geboren. Hier voIgt een leuke anekdote over Broertjes: wanneer hij wilde gaan fietsen, moest hij altijd met hulp van iemand anders opstappen, want fietsen kon Broertjes weI en afstappen ook, maar opstappen helaas met. Broertjes is vrij jong overleden, een gezin met jonge kinderen achterlatend. De eigenaar van de molen, Van Aalst, heeft echter altijd goed voor het gezin gezorgd.

De molen was een zogenaamde standaardmolen. Men maalde er voomamelijk gerst, tarwe en haver. Ook werd er weleens mout voor de bierbrouwerij in Ophemert gemalen. Als beloning kreeg Broertjes daarvoor een vat bier. Als het slecht weer werd, moest de molen uit de wind worden gezet, anders ging hij kruien. Dit gebeurde niet alleen overdag, maar ook 's nachts.

Nog even wat meer geschiedenis over molens en molenaars: al in 1403 kende men een "windmeule" in Ophemert, gezien de leenakte aan Sweder van Weerdenburg. In 1661 was Willem Herbertsen hier molenaar: In Anna sesthienhonderdeenentsesticlt soo heeft Willemm Herbertsen molenaar gekocht van Johan van Eck en de Formijn Dircksen Kerckmester tat Ophemert en de dat met believe van de momberen (voogden) van de kiindren van den E, Heere van Ophemert een groefplaets in Sint Martenskerck tat Ophemert, waer hij sijn overlede huysvrou heeft begraven en de dat vaar hem en de sijne nakommelinge, en de dat tot de breedte van twee kisten, en de acht voeten langs, waer voor hij betaelt heeft, aen de voorschreven, kerckmesters een somme van darticn carolis guldens. Actum ut supra. In kennisse van mij als scholtus en de secretaris tot Ophemert

Adriaen van Dieden 1661

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Algemene voorwaarden | Algemene verkoopvoorwaarden | © 2009 - 2022 Uitgeverij Europese Bibliotheek