Oud-Rotterdam en de R.E.T.M.

Oud-Rotterdam en de R.E.T.M.

Auteur
:   L. Stigter
Gemeente
:   Rotterdam
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4432-2
Pagina's
:   100
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Oud-Rotterdam en de R.E.T.M.'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

VOLGR~TUIG SERlE 30,1- 344.

- -~._-~., .. _-_.-

-----

L. ,

40. Rijtuigpark: Volgrijtuig serie 345-350.

De tekening geeft een atbeelding van de serie 345-350. Ook dit zijn paardetramwagens geweest. Het verschil met die van de voorgaande tekening is dat de nummers 301-344 drie zijramen hadden, terwijl de 345-350 vier zijramen hadden. Zij hebben ook zestien in plaats van veertien zitplaatsen en zijn iets langer dan de drieramers. Het aantal staanplaatsen is gelijk. De paardetramwagens werden door verschillende fabrieken gebouwd. Tussen 1922 en 1927 hebben de 345-350 dienst gedaan op de lijnen 2, 7, SA en 12. Ook deze werden in 1931 door de R.E.T. afgevoerd.

.5

VOlGRUTUIG SERlE 345- 350.

41. Rijtuigpark: Zomerrijtuig serie 291-300.

Buiten de vijftig gesloten paardetramwagens werden ook tien open paardetrams voor volgwagendienst bij de elektrische tram geschikt gemaakt. Deze kregen de nummers 201-210, doch v66r de indienststelling van de motorrijtuigen serie 177-201 werden zij vernummerd in 291-300. Zij hebben een lengte van 6030 mm en een gewicht van 2,9 ton. Het aantal zitplaatsen was negentien en het aantal staanplaatsen vijftien. Doordat zich op de balcons tegen het tussenschot ook een bank beyond, waren deze wagens bij de reizigers erg geliefd, In de jaren 1922-1927 reden deze zomerwagens op de lijnen 1 en 10. Ook deze zijn in 1931 door de R.E.T. uit het rijtuigpark afgevoerd met uitzondering van de 296, die in de oorspronkelijke kleuren werd geschilderd en bewaard bleef als museumrijtuig.

ZOMERRUTUIG SERlE 291 - 300.

42. Rijtuigpark: Zomerrijtuig serie 261-290.

In 1907 werden door de Belgische fabriek Ragheno dertig zomerwagens geleverd, die de nummers 211-240 kregen. Deze werden in 1922, voor de indienststelling van de motorrijtuigen 177-201, vernurnmerd in 261-290. Ook deze "open trams" waren bij de reizigers zeer ge1iefd. A1s de wagens in het voorjaar op een zomerse dag voor 't eerst weer in dienst kwamen, ging door de he1e stad het bericht "De open trams rijden weer!" Dit klonk zo ongeveer als: "De crocussen bloeien weer" waarmee te kennen werd gegeven dat de winter voorbij was. Het maakte altijd een feestelijke indruk als men overal in de stad die open trams zag rijden. Zoals op de tekening duidelijk te zien is, hadden de wagens open balcons met een zonne- of regenscherm, zoa1s ook de motorwagens 1-20 oorspronkelijk hadden. Een gangpad hadden deze wagens niet, zodat de conducteur, zich vasthoudend aan de stijlen, over de treep1ank naar de reizigers moest om deze van een biljet te voorzien. Ongevaar1ijk was dit natuurlijk niet, vooral toen het wegverkeer toenam en op p1aatsen waar de tram dicht 1angs een bovenleidingmast of straatIantaarn reed. De lengte van deze wagens bedroeg 7850 mm en het gewicht 4,1 ton. Zij hadden zesentwintig zitplaatsen. Op de balcons waren tezamen vijftien staanp1aatsen. Deze wagens hadden geen zitp1aatsen op de balcons. In de jaren 1922-1927 hebben deze gereden op de 1ijnen 1, 6, 7, 10, 14 en 15. Na ongeveer dertig jaar dienst werden zij door de R.E.T. afgevoerd. Alleen de 284 is als museumrijtuig bewaard gebleven in de creme kleur.

SERlE 261 - 2

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Algemene voorwaarden | Algemene verkoopvoorwaarden | © 2009 - 2021 Uitgeverij Europese Bibliotheek