Scharendijke in oude ansichten deel 2

Scharendijke in oude ansichten deel 2

Auteur
:   B. Coomans
Gemeente
:   Schouwen-Duiveland
Provincie
:   Zeeland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4528-2
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Scharendijke in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

11. Zo'n oud plaatje van het knusse dorpspleintje van het Elkerzee uit de jaren twintig blijft leuk om naar te kijken. Hoewel het in de winter met zijn kale zwiepende bomen ook zijn bekoring had, was het toch op zijn mooist in de zomertijd. Er was veel groen en het dichte blad van de iepen en linden vormde als het ware een dak boven het dorpsmidden. Doordat de huizen tamelijk dicht langs de toen nog erg smalle Elkerzeeseweg stonden, had het geheel een vrij besloten karakter. Misschien dat daarom de ouderen van nu met zoveel plezier terugdenken aan de tijd die ze als schoolkinderen in die omgeving speelden. Er is daar wat "afgebonkeld" aan de kant van de weg. .Bonkette" heette het spelletje ook wel en je deed het met van die grote stenen of ijzeren knikkers. De eerste speler gooide zijn "bonkel" (stuiter) een paar meter vooruit en de anderen mochten gooiend of schietend met de duim de eerste knikker proberen te raken. Als je drie keer geraakt werd was je "uut". Een ander, wat ouder spel, was "bikkele". Dat deden voornamelijk de meisjes en het begon elk jaar rond Pinksteren. Je had er een gladde, harde ondergrond voor nodig, bij voorkeur een stoep. Een echt oude bikkel bestond uit een stukje pootgewricht van een schaap. De nieuwere waren van tin of koper. Behalve vier bikkels gebruikten de meisjes bij dit spel een "bolleket" (stuitballetje). De vier platte kanten van de bikkels hadden alle een aparte benaming. Ie had "ruggers", "platters", "putters" en "gladders". Het was de bedoeling om tussen het kaatsen en weer neerkomen van het balletje, een of meer bikkels in een bepaalde volgorde te "wenden" of op te rapen, om dan de "bolleket" weer op te vangen voor het neerkomen. In sommige gevallen zongen de kinderen er een speciaalliedje bij, zoals het "Zwart Willemijntje" en "Moeder, de vlo",

In diezelfde periode zag je de jongens zich vermaken met "schreefgooie". Ze trokken daarbij een .schreve" (streep) op de grond en probeerden ombeurten een bepaald aantal knopen op of zo dieht mogelijk bij de streep te gooien. Degene die de meeste van zijn knopen op of bij de .streep had geworpen, was winnaar. Oudere en ondeugende kinderen gebruikten centen inplaats van knopen. Zo was de jeugd van toen met allerlei spelen in de weer en verveelde zich geen seconde.

De ouders trouwens evenmin! Die waren van vroeg tot laat in touw voor de dagelijkse boterham. Velen als knecht of "errebeier" bij de boer, maar er waren in die tijd ooknogal wat "middenstanders" in Elkerzee. Op de foto links van de weg hadje bijvoorbeeld de fietsenmakerij van de gebroeders J. en D. Dalebout en aan dezelfde kant woonde ook "olieboer" J. Finson, die in die hoedanigheid Van Westervoort was opgevolgd. Deze kondigde zich aan de deur aan met de kreet: "Automaaaat!", hetgeen de naam was van het merk olie dat hij verkocht, Finson trok later per bakfiets langs de weg. Wie herinnert zieh hem nog met zijn bruine "mesjesterpak" en pet? Uit het plat op zijn fiets liggende vat tapte hij de "peterolie" in van die groene en grijze vierkante oliebusjes, met van boven een handvat en io'n klein krom "tuutje". Petroleum werd gebruikt in de olielampen en de toen algemeen bekende "oliestelletjes" waarop men het eten en de "waste" kookte. Zo waren er in het dorp wel tien van die kleine winkeltjes en bedrijfjes, waarvan er niet een meer over is.

Van de bebouwing op de foto is alleen het toenmalige cafe van P. Hanse overgebleven. Een gedeelte van zijn uit acht kinderen bestaande gezin ging mee op de foto. De vroegere tapperij wordt nu bewoond door de familie C. Romijn: andere namen dus inmiddels, in een duidelijk ander Elkerzee.

Groete uit ELK E RZEE.

12. We "winkelen" nog even verder in oud-Elkerzee. Een van de dorpsbewoners die het aandurfde om voor zichzelfte beginnen was arbeiderszoon Jan Dalebout. Het leek er eerst op dat hij gewoon bij "de boer" terecht zou komen. Als ventje al verdiende hij een paar cent met het wegbrengen van C. Hansons koeien. Het leverde hem een dubbeltje per keer op. Toen hij na zijn schooltijd bij Hanson moest gaan werken voor een kwartje per dag, zag hij dat niet zo zitten. In 1914 raadde de dokter hem aan ander werk te zoeken, waama bij besloot fietsenmaker te worden. Het "zwarte uus", rechts naast de dreef naar de hofstede van Gakeer, werd zijn werkplaats. Bijgaand fotootje kwam toevallig vanachter Dalebouts eerste rijbewijs tevoorschijn toen we hem bezochten voor wat inlichtingen. We zien er een nog jonge Jan Dalebout in de deuropening van zijn zaak, bij zijn pas aangeschafte motorfiets. Het was een Engelse 2,5 pk "OK" met snaaraandrijving, die f 425,- kostte. Het kenteken was nog van de vorige eigenaar. Dalebouts nummer was K-1289, wat hij later op eigen houtje ook maar op zijn eerste auto zette. Het meisje bij de fiets met fraaie jasbeschermers is de jong gestorven Sientje Hanse.

Rechts naast de werkplek was het woonhuis van de Dalebouts. Het pand is na de ramp afgebroken. Jan Dalebout begon natuurlijk niet direct met motoren en auto's. Zijn eerste inkomen kwam van kleine karweitjes aan oude fietsen. Een band plakken kostte toen 15 cent en er moest lang op het geld gewacht worden, want het meeste ging op jaarrekening. Op een dag sloeg de fietsenmaker een goeie slag, toen hij uit Zierikzee een partij rijwielen kreeg aangeboden voor f 150,-. De koop ging door en zo kwarn er die week een tramwagon tweewielers aan in Elkerzee. De beste ervan, een "FN" met oliebadketting, ging meteen van de hand voor f 100,- en dat was mooi meegenomen. Een redelijke fiets kostte zo'n f 60,-. Later kwamen er goedkopere, maar minder solide karretjes van f 25,- en bij zo'n "vliegende winkel" in de stad had je ze al voor f 20,- maar dat was slap spul. Toen de motorfietsen verschenen, schafte bijna elke boer zo'n herrieschopper aan. Het dreunde dan donderdags in "stad" van de motoren. Dalebouts eerste motor was van het merk "FN". Die haalde echter de rand van het dorp niet eens omdat hij te warm liep en daarbij ook nog je klompen vol olie gooidel De tweede, die van de foto, was beter. Daar reedhij vaak op naar Rotterdam. In 1916 al behaalde Jan Dalebout bij Bart van der Wal in "Brouw" zijn autorijbewijs. De lessen leken een koopje; hij hoefde aIleen maar de olie te betalen. Het voertuig slurpte echter zoveel smering, dat het papiertje toch nog duur betaald was. Acht jaar later verkocht de ondernemende Elkerzeeenaar zijn eerste auto aan veehandelaar J. van de Panne. Het was een T -Ford met linnen kap, die f 1350,- kostte en als kenteken K -944 had. Er werd een "Indian" motorfiets op ingeruild, die's avonds al was doorverkocht aan P. Gast te Ellemeet.

Ook boeren als Van den Bout van "De Butteroek", Hanson en Gakeer bestelden een Ford bij Dalebout, die hen ook leerde rijden. Ondanks die lessen belandden sommigen toch regelmatig in de "dulve". In 1928 kwam ook Jans broer Dingeman in de zaak, die vanaf toen " Gebroeders Dalebout" heette. Ze verkochten nog even benzine. Aanvankelijk uit de pomp, later in blikken a 11 cent per liter. Winst per liter: een halfje! Ook radio's met oplaadbare batterij behoorden tot hun handelswaar en in 1929 startten zij met het aanleggen van elektriciteit, De ramp dwong hen uit te wijken naar Scharendijke, waar Jan Dalebout jr. nog steeds de rijwielhandel van zijn vader en oom voortzet.

-'---' ..

. ~:.~ - . . --

'.

, ~. ~'

:& '"' ~~

/"

13. Zomer 1919; zomaar een groepje Elkerzeese "jonge-jongers" tijdens een zondagse wandeling "gevangen" voor de boerderij van J. Spits bij de kruising Moolweg-Elkerzeeseweg. De houten binten van de bij het landbouwbedrijf horende kapschuur zijn linksboven tussen het gebladerte nog vaag te zien, Na Spits woonde diens schoonzoon J. Lemsom hier tegenover molen "De Lelie", De gebouwen werden tijdens de watersnood zodanig aangetast dat ze moesten worden afgebroken.

Dan nu de volle aandacht gericht op het vrijgezellenclubje, dat zich zo pontificaal liet fotograferen. Ondanks de zomerse temperaturen netjes in het driedelige zondagse pak met pet, waren de jongemannen aan de kuier richting "Schaerendieke". Het zijn, van links naar rechts: Jan Dalebout (jazeker, de latere fietsenmaker), Gommert van Ast, Piet Pinson, Jaap van Ast en Marien Finson, die allen als landarbeider werkzaam waren bij Elkerzeese boeren, Laatstgenoemde zou later in dienst treden bij de politie en zijn geboorteplaats verlaten. De vrije tijd van het vijftal twintigers op het prentje beperkte zich in feite tot de zondagmiddag en de extra feestdagen zoals Pasen, Pinksteren en Kerstmis. Op een normale zondag gingen ze 's ochtends eerst naar de kerk en na het middageten waren ze dan echt vrij. Die tijd werd gevuld met zomaar een praatje maken of een "endje kuiere" in het dorp. Soms liepen ze naar Scharendijke voor een kijkje aan het strand en een heel enkele keer waagden ze zich aan een uitstapje naar de bollenvelden in de Westhoek. Het ging allemaal ,,166pens" , want een fiets was er niet bij. Er werd de hele dag geteerd op de van huis meegenomen boterhammen met stroopvet en als ze voor de aardigheid eens met een "bosje blommen" thuis wilden komen, plukten ze die maar op de bloeiende velden. Geld om er te kopen hadden ze niet en die bloemen werden anders toch maar weggegooid ...

Over de centjes gesproken: het dagloon van een "errebeier" stond in die tijd op een gulden. De meeste jongens op de foto waren arbeider en zo weten we dus meteen waar ze het sigaartje waarvan ze stonden te genieten van moesten betalen. Met "errebeid" werd overigens altijd landarbeid bedoeld. Al het andere werk was "werrek". Er was verder ook nog verschil tussen een .Josse'' en een "vaste" arbeider. De eerste kreeg alleen de uren uitbetaald die hij werkelijk werkte. Als hij bijvoorbeeld een "schoft" (deel van de dag) was "uut'eregend" werd dat niet doorbetaald. Was er geen ander werk, dan hoefde hij ook niet te komen. Een vaste arbeider daarentegen had een vast loon, aangevuld met gebruik van een stukje land, vrij wonen en soms een dagelijkse hoeveelheid melk. Hij bleef ook 's winters op de boerderij in touw. Na de zesdaagse werkweek betaalde de boer zaterdags om zes uur uit, Oude mensen gebruiken nog weI eens het gezegde: "Ie stap as 'n errebeier om z'n daggeld," waarmee zoveel bedoeld wordt als: "Kijk hem eens haast hebben!"

Op hun enige vrije middag in de week zullen de luitjes van hiernaast niet zo hard gelopen hebben. Ze kuierden na de "klik" van de fotograaf weer op hun gemakje verder naar de dijk of het strand, met volle teugen genietend van hun kostbare "segaortje",

14. Het beeld van het oude Elkerzee werd voornamelijk bepaald door de langs de Elkerzeeseweg aanwezige boerenbedrijven. Een aantal ervan overleefde de ramp van 1953 en maakt ook nu nog deel uit van de sterk ingekrompen bebouwing. Op de hiernaast getoonde foto uit 1928 zien we een van die boerderijtjes, momenteel bewoond door N .M. Tuiten. Tot 1897 was de oorspronkelijke rentenierswoning de behuizing van de dames Steketee en La Roy. "Iuffrouw Steketee van Elkerzee", zoals de kinderen rijmden, was baker en juffrouw La Roy hebben we alleren kennen als onderwijzeres van de lagere school te Elkerzee. In het jaar dat zij naar de Dorpsstraat in Scharendijke verhuisden, betrok M. Spits de vrijgekomen woning. Hij liet de op de foto zichtbare houten schuur bouwen, die hij nodig had bij het beboeren van de hem door B.I. bij de Vaate beschikbaar gestelde landbouwgrond van de hofstede "OIdenhoeve". Bij de Vaate ging in 1910 rentenieren in het huis dat we rechts nog net kunnen zien. Vanaf die tijd is de "Oldenhoeve" bewoond door de familie Padmos. Een stuk van het erfvan deze boerderij noemde men vroeger ,,'t berghof". Dat deze benaming was afgeleid van een in het verleden hier gelegen vluchtheuvel is waarschijnlijk, maar vonden we nergens bevestigd.

M. Spits werd in 1916 opgevolgd door P. van Westervoort. In 1927 kwamen de gebroeders G. en Th. Tuiten met hun ouders naar Elkerzee en namen hun intrek op het bedrijf van de foto. De familie Tuiten stamt uit de omgeving van Leeuwarden en is in de negentiende eeuw naar Schouwen gekomen. Tuiten senior, de vader van de gebroeders dus, was landarbeider en gemeentewerker. Hij werd voor dat laatste aileen opgeroepen als er bijzondere karweitjes te doen waren, zoals grafdelven, het schoonmaken van de waterputten voor het vee en het onderhouden van de kerkepaden, Zoon Th. Tuiten was jarenlang organist in de hervormde kerken in Elkerzee en Scharendijke. Ook was hij van 1935 tot 1955 ontvangervan de kerkelijke gemeente alhier. Tegenwoordig woont hij met zijn echtgenote K. Tuiten-van der Weele in het huis genaamd "Bollemeet" aan de Schelpweg te Ellemeet. Zijn broer G. Tuiten overleed in 1986. In 1965 kreeg N .M. Tuiten de teugels op het hoefje in handen.

We zien op het door fotograaf P.C. van Immerzeel geschoten plaatje de vader, oom en grootouders van de huidige bewoner poserend op de "baene" achter het openstaande damhek met versierde palen. De karresporen in het zand zijn van de menwagen op de achtergrond voor de schuur, waarin we de hoge mendeuren met "kliengket" (kleine deurtje) duidelijk onderscheiden. In 1930 werd hierachter de houten dorsvloer weggebroken en acht jaar later voorzag men het huis van modernere raamkozijnen, AI is er ter plekke nadien nog wel meer veranderd, het is in ieder geval een leuk stukje bewaard gebleven oud-Elkerzee.

15. Deze foto uit juni 1938 is een close-up van de Elkerzeese dorpsbakkerij. Het pand deed eerder dienst als werkplaats van schoenlapper Joh. Stoel. Dat was even na 1900. J. Schilperoort was hier de eerste bakker, in 1935 opgevolgd door P.L. Bastiaanse. Hij was afkomstig van "Schutje", waar hij tot rond zijn twintigste bij de boer werkte. Vervolgens werd hij knecht bij bakker K. van den Bos te Moriaanshoofd. Hij trouwde met S. Berrevoets, met wie hij daama het bedrijfje in Elkerzee betrok, waar ook hun beide kinderen werden geboren. Op het kiekje zien we de bakker voor de deur en het ene raam van het minieme winkeltje van" vrouw Bastiaanse". In het voorste deel van het huis bevond zich de woonkamer. De voor die tijd luxe fiets tegen "d'n eining" was van fietsenmaker-elektricien Dingeman Dalebout, die net voor een klusje op bezoek was. Het venster en de deur links van Bastiaanse waren van de bakkerij. De musters en grote turven voor de oven lagen in de aangebouwde schuur met fraaie "maekelaer" op het dak. Het schuurtje en de woning daarachter waren van schilder Van der Ploeg. Later woonde C. Verboom hier. Toen het drukker werd in de bakkerij kwam Piet Kooman er als knecht in dienst. Hij verhuisde mee naar "Murjaen" , toen zijn baas daar in 1942 de zaak van K. van den Bos ovemam. M. van den Houten werd de volgende en laatste bakker van Elkerzee. In 1946 moest Bastiaanse op doktersadvies het bakkersvak vaarwel zeggen en deed hij het bedrijf over aan zijn knecht P .C. Kooman. De Bastiaansen vertrokken naar Brouwershaven, waar zij tot de ramp een winkel in levensmiddelen hadden. De evacuatie tijdens de watersnood bracht hen in Delft. Eenmaal in .Brouw" terug zag Bastiaanse geen brood meer in het winkelbedrijf en hees zich in het uniform van de PTT. Zo zal de een zich Piet Bastiaanse herinneren als bakker en de ander als winkelier of postbode. Zijn tijdgenoten zullen hem zeker ook gekend hebben als schrijver van vele gedichten en rijmpjes. Er stroomde zonder twijfel dichtersbloed door de aderen van de nogal zwaarmoedige Bastiaanse. Regelmatig verschenen er verzen van hem in de "Niesbode" en van tijd tot tijd kreeg hij ook verzoeken tot het maken van een spreuk ter gelegenheid van een of ander heuglijk feit. Zo prijken op het watergemaal .Prcmmelsluts'' enkele toepasselijke zinnen van hem en bedacht hij ook een tekst voor het in 1951 in gebruik gestelde gemaal "Schelphoek".

Een ander bouwde mij, Door mij bouwt een ander. De zin van mijn bestaan, Bepaalt mijn tegenstander.

Bij waterlast door stage regen, Tracht ik te zijn tot Schou wens zegen.

(Gemaal "Schelphoek")

(Gemaal "Prommelsluis")

Over de spreuk voor de "Schel'oek" ontstond onenigheid, toen het waterschapsbestuur het "tracht ik te zijn" in de tweede regel te zwak vond uitgedrukt en dit wilde vervangen door .zal ik zijn". De bedenker van de regels was daartoe echter niet te bewegen. Daardoor en mede door de tussenkomst van de ramp kwamen de woorden nooit op een herdenkingssteen te staan en bleef het bij een houten bordo Het gemaal werd na de watersnood gesloopt, waardoor het zelfs met "trachten" gedaan was. Groter bewijs van zijn gelijk had Bastiaanse nooit kunnen krijgen. Er is nu eenmaal niets zeker in dit leven en daarvan was ook Piet Bastiaanse zich met al zijn diepzinnig gepeins bewust. Op 8 mei 1968 overleed hij. Niet als beroemd dichter, maar als eenvoudig, vaak niet goed begrepen man, die met zijn poezie en rijmelarij toch iets extra's aan zijn omgeving toevoegde ...

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek