Serooskerke in oude ansichten deel 1

Serooskerke in oude ansichten deel 1

Auteur
:   B. Coomans
Gemeente
:   Schouwen-Duiveland
Provincie
:   Zeeland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4641-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Serooskerke in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Een dorpsplein met naar vier windrichtingen een zijweg, een kerkje en een handvol huizen: ziehier een ruwe schets van het Schouwse Serooskerke. Gelegen langs de haven en het natuurgebied Schelphoek, wordt het voorrnalige polderdorp nu omsloten door vooral zomers druk en lawaaierig bereden wegen. Het lommerrijke plaatsje zelf evenwel, koestert zich in een weldadige ouderwets aandoende rust. Wat dat betreft is het er nog net als vroeger. Voor de rest veranderde er veel in en om Serooskerke, het meest nog na de ramp van 1953. Met foto's en verhalen van bejaarde dorpsbewoners trachten wij in dit boek een beeld te geven van de oude situatie en levenswijze in de streek van boeren, landlieden en slijkdelvers. De ruirn veertig opnamen uit de periode 1900-1953 gaan vergezeld van zoveel mogelijk wetenswaardigheden, opgetekend ten huize van een aantal oude en oud-Serooskerkenaars, die ons steeds welwillend te woord stonden. We zijn die mensen zeer erkentelijk.

Doordat de nadruk op de oude ansichten ligt, bleef veel ander materiaal ongebruikt. Dat spijt ons voor hen die dachten er een bijdrage mee te kunnen leveren. We hopen dat zij hun kostbare "souvenirs van toen" goed bewaren en in ere houden, want dat is zonder meer de moeite waard!

Al 800 jaar Serooskerke.

Wanneer Serooskerke ontstond weten we niet, maar in 1187 werd het "Alerdeskirkdam" genoemd, wat betekende:

"De kerk waarvan de stichter Adelhard heette." De "Alardskerk", zoals zij in 1405 verrneld werd, was gewijd aan Alard, bisschop van Mainz. Van Tserolartskerke, Tseroirtskerke en Seralardskerke zou het tot Serooskerke zijn gekomen. In 1483 verkoopt keizer Maximiliaan de Heerlijkheid Serooskerke aan Pieter Heugensone, in 1476 en 1487 burgemeester van Zierikzee. Hij noemde zich daarna Van Serooskerke en wat later Van Tuyll van Serooskerke. Zijn familiewapen, hiernaast uiterst links, werd ook het gemeentewapen van Serooskerke, dat tot 1961 de kleinste gemeente van Nederland was. De spreuk naast het wapen heeft betrekking op de aan Schouwens zuidkust al eeuwen durende strijd tegen de zee. Ook Serooskerke kreeg daar nadrukkelijk mee te maken, al deed het daarbij onze Zeeuwse wapenspreuk "Luctor et Emergo" gestand en kwam het inderdaad worstelend weer boven.

De "Scher oek".

Getuige de vele toepassingen ervan - school, boerderij, natuurgebied, werkhaven, restaurant - lijkt de naam "Schelphoek" erg gevoelig te liggen in het Serooskerkse. Zo was het niet altijd. De oude haven lag twee kilometer zuidelijker dan de huidige en een echte relatie tot het dorp was er niet. Die ontstond pas toen men na de ramp het Schelphoekgat dichtte met de vlak langs het dorp aangelegde Ringdijk. De ontwikkelingen aan beide zijden van deze

dijk gaven het begrip "Schelphoek" een totaal andere inhoud. Dat was al eerder gebeurd, want de benaming is vermoedelijk afgeleid van het woord "schelhoek". Het Middelnederlandsch Handwoordenboek omschrijft een "schelgat" als "een gat aan de buitenzijde van een zeedijk, door afslag ontstaan". Op oude kaarten vinden we bij Heertjes inlaag inderdaad de aanduiding "Schelhoek". Spreekt de Schouwenaar in zijn dialect trouwens niet van "De Schel'oek"? De naamswijziging is wellicht ontstaan toen men de betekenis van de oudere term niet meer kende. Zoals namen in de loop der tijd vervormden, zo veranderden ook landschap en dorpsgezicht. Land werd water; wegen, wekkens en gebouwen verdwenen en daarmee ook de mensen die er woonden en werkten. In dit boekje halen we het allemaal voor even terug.

1. Deze afbeelding hielden we over uit de tijd dat men nog .fotografeerde" met tekenpen. Hoewel de tekenaars van toen veel fantaseerden, is dit toch weI een leuk prentje, dat de landelijke sfeer uit omstreeks 1745 aardig weergeeft. Als de hier getoonde weg inderdaad bestaan heeft, was het zo ongeveer de voorioper van de latere Serooskerkscheweg, waarlangs men vanuit Zierikzee het dorp naderde. In 1745 bestonden de huidige inlagen allangs de zeedijk, waar het dorp toen twee kilometer vandaan lag.

Voor 1400 echter, vormde Serooskerke zo'n beetje het middelpunt van het eiland Schouwen en was de afstand tot de zuidkust circa zes kilometer. De dijken stelden toen nog niets voor en sIoegen bij stormvioeden regelmatig weg. Achter de zwakste dijkstukken legde men binnendijken, waardoor inlagen ontstonden, die steeds opnieuw verloren gingen. Honderden hectaren land, aismede een vijftiental dorpjes, verdwenen in degolven.

De geschiedenisboeken vermelden nog namen aIs: Westenschouwen, Clauskinderen, Westkerke, Oudekerke, St. Jacobskerke, Looxhaven, Borrendamme, Weldam, 's Heer Arendshaven, Simonskerke, Rengerskerke en Koudekerke. Van laatstgenoemd plaatsje bleef de Plompe (kerk) Toren overeind als baken voor de scheepvaart. Hij vormt nu als het ware een monument ter nagedachtenis aan de verdronken dorpen van Schouwen.

----

2. We komen in dit boekje veel namen tegen van wegen, wekkens en eertijds bekende plekjes, waarvan we ons nu de ligging nog nauwelijks voor kunnen stellen. Een deelligt nu onder water, de rest werd weggewist door de herverkaveling van na de ramp. Om al bladerend toch de weg te kunnen vinden in de vroegere gemeente Serooskerke en omgeving, leek het ons nuttig een kaartje aan te reiken. Het is een fragment van de in 1909 door mr. A.J.F. Fokker samengestelde kaart van Schouwen. Mr. Fokker was voorzitter van het dagelijks bestuur van het Waterschap Schouwen. Het eiland was door dit schap in districten verdeeld. Links op de kaart zien we district Koudekerke.

Serooskerke lag in het district Flaauwers. Een aantal wegen kennen we nu nog, zoals Karremansweg, Ridderweg, Slikweg, Bootsweg en Hoosjesweg. De namen Molenweg, Westweg, Kaatjesweegje, Krolsweg en Krolswekken, Krepelsweg en Mosselvate zeggen de meesten van ons daarentegen niets meer, maar we vin-

den ze hiernaast nog wel terug. .

Het grijs gekleurde oppervlak geeft de gemeente Serooskerke aan, terwijl de omcirkelde nummers 1 tot en met 5 een aantal interessante plekjes aanduiden: 1. het dorp Serooskerke; 2. de Schelphoekhaven; 3. Weeversinlaag; 4. het "bonselinggat" met daarbij de eendenkooi; 5. de Weelweg waar zich de tramhalte beyond. Verder is het gewoon leuk om het hele kaartje eens rustig te bekijken, iets wat uiteraard zeker geldt voor de nu volgende foto's.

3. Nu we.ons na de informatie op de voorgaande bladzijden een voorstelling kunnen maken van de geschiedenis en gemeentegrenzen met wegen en vaarten daarbinnen, staat niets een nadere kennismaking met oudSerooskerke meer in de weg. Onze wandeling begint bij de nu door de Serooskerkseweg afgesneden vroegere Dijksweg, vanwaar we door middel van deze prent een mooi beeld krijgen van het dorpssilhouet anna 1900. Hoewel de kerk door de hoge boomkruinen niet te zien is, was ze er uiteraard weI. Links van de weg staat de schuur van T. Verboom. Zijn weduwe J. Verboom-Bal, beter bekend als "Kootje Bal", woonde later nog lang in het huisje achter de jeugd op de foto. Ze dreef er een klein winkeltje, waar ze onder meer mosterd en bier verkocht. Haar zoons Joh. en M. Verboom werkten er op het eenvoudige boerenspulletje. Eerstgenoemde, bijgenaamd "d'n kuper", deed vaak karweitjes voor het waterschap. Hij maakte onder anderevaarten schoon en legde ook "zielen" (ziele = buis) onder de dammen in de watergangen. Het leegscheppen daarvan leverde het zogeheten zielegeld op, een term die door niet-ingewijden nogal eens verkeerd werd uitgelegd en in verband werd gebracht met de financiele gevolgen van een stertgeval.

Doordat de "nieuwe" school er nog niet stond, kijken we op deze kaart nog zo tegen de huizen aan de noordkant van het Dorpsplein. Rechts van de weg vinden we de houtberging en wagenmakerij van J. C.A. Prince, die zijn loopbaan begon als knecht bij timmerman J. de Roo. Het bouwland op de voorgrond noemde men "D'n 'uusmeet". Er kwamen meer van die benamingen voor in Serooskerke, want ook .Pietersrneetje", "D'n Broekmeet" (perceel met vorm van een broek) en "Pooltjesmeet" werden ons ingefluisterd.

4. Bij het vergelijken van twee foto's van het zelfde plekje moet je soms goed kijken wil je veranderingen in de plaatselijke situatie ontdekken. Op deze medio 1919 gemaakte opname van .D'n Diekwegt" is dat meteen al het geval. De in 1912 gebouwde school springt nogal in het oog, maar voor de inmiddels links naast de wagenmakerij van Prince verrezen houtloods moeten we beter opletten. De goed zichtbare boogramen in Princes werkplaats zijn er overigens nog steeds.

Links van de Dijksweg de in 1906 gebouwde woning van de weduwe J. Verboom-Bal, die ook in haar nieuwe behuizing het eerder genoemde winkeltje voortzette. Zoals de foto toont lag naast de weg een vaart, die bij de schuur achteraan naar links boog, om met een grote bocht om het dorp heen bij de noordelijk gelegen Zandweg uit te komen. De bruggetjes over het water noemde men "planken" en daar woonde je dus "over d'n planke".

Toentertijd stond links van de vaart (niet zichtbaar) de dubbele arbeiderswoning van J.c. Hanse, boer op de hofstede .Dorpzicht''. In het linker deel woonde de familie Van den Bos, van wie links drie telgen zich met geit lieten vereeuwigen. Ret zijn van links naar rechts Koos, Jan en Willem. Run buurman was J. de Meij, wiens dochtertjes Betje (links) en Bina we rechts bij het land van de gebroeders Goemans zien staan. Vooraan ligt een zogenoemde grindbak ten behoeve van het opvullen van gaten in het wegdek. Oorspronkelijk werd het grind in de Schelphoek met manden over de dijk gedragen, om het met platboomde schuiten door de watergangen naar de plaats van bestemming te varen. Later gebeurde dat met paard en wagen en ook dat is al weer lang verleden tijd.

GEZICHT OP SEROOSKERKE (S.>

5. am een probleemloze afvoer van het polderwater te waarborgen, moeten ook heden ten dage nog van tijd tot tijd de "dulven" en vaarten worden uitgebaggerd. Voordat daar moderne machines voor beschikbaar kwamen, was dat veel mankracht vergend werk. De arbeiders die daarmee hun brood verdienden noemde men "slikdelvers" en hiernaast zien we zo'n ploeg delvers poseren tijdens het uitbaggeren van een van de toenmalige Schouwse vaarten. Het was voorjaar 1941 toen de volgende Serooskerkenaars op de foto gingen, van links naar rechts: P. Geleijnse Lzn., P. Verboom Dzn., Jan Hart sr., P. Hart Czn., P. Geleijnse Azn., Jan Kloet sr., Johannes Berrevoets Jzn., Hendrik Bodbijl Mzn., Jan van den Bos, Jaap Kloet Jzn. en een onbekende.

Een karwei werd meestal door een van de delvers aangenomen, die dan een ploegje van zo'n tien tot twaalf man optrommelde om het werk te klaren. Iedereen kreeg wekelijks zijn gewerkte uren door de "aannemer" uitbetaald en als de opdracht was uitgevoerd volgde, na controle door de dijkbaas, uitbetaling van het resterende bedrag.

Het spreekt vanzelf dat het zware werk een flinke eetlust opwerkte en het oude Schouwse gezegde "ete as 'n slikdelver" komt daar vandaan. Oorspronkelijk werkte men, zoals de meesten op de foto, met een houten "slikschoppe" en werden leren, "houtgepende" laarzen gedragen. De zolen hiervan waren, om het roesten van metalen bevestigingsdelen te omzeilen, met houten pennetjes vastgezet. Later kwamen de rubber- of gummielaarzen in de handel en dat yond men toen al een enorme vooruitgang.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek