Serooskerke in oude ansichten deel 1

Serooskerke in oude ansichten deel 1

Auteur
:   B. Coomans
Gemeente
:   Schouwen-Duiveland
Provincie
:   Zeeland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4641-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Serooskerke in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

31. Wie vanuit Serooskerke Hoosjesweg opzoekt en aan het eind ervan de geasfalteerde dijk beklimt, ziet rechtsachter in Weeversinlaag een opslagplaats van het waterschap. Dit is de plek waarvan we hiernaast een foto tonen, maar weI van voor de ramp. Het gebied hoorde vroeger bij de gemeente Serooskerke. Links op de dijk staat de in 1932 gesloopte dijkbaaswoning, waar als laatste technisch ambtenaar H. Heijt woonde. Beneden, buiten beeld, stond een ouder dijkbaashuis, waar dijkwerker C. Berrevoets toefde. WeI zichtbaar op de foto is de bedoening van P. Berrevoets, "pachter der vogelarij". Hij had vergunning voor het vissen op paling en het "gaeren" van eieren op de .Jiillen" (vogeleilandjes) in de inlagen. In de raaptijd, van 15 april tot 15 juni, voer hij dagelijks met zijn schuitje naar de broedplaatsen om er op verantwoorde wijze de kokmeeuw- en "starre" (visdief) eieren te rapen. Zowel paling als eieren werden grotendeels in Zierikzee verkocht. P. Berrevoets overleed in 1951, z'n vogelarij twee jaar later met de ramp.

Het huis en de schuur achter de vlieren rechts behoorden aan de weduwe L. van Damme-Hage. De hele bebouwing in de "inlaege" was omringd door een kade, waarbinnen het waterpeil met een pomp werd gecontroleerd. Rechts zien we de brug over de dijkdoorgraving, waarmee Weeversinlaag verbonden was met de nu in de Schelphoekhaven opgenomen Heertjesinlaag. Het gezicht op een uniek stukje verdwenen Serooskerke was een reden om deze foto in dit boekje op te nemen, een tweede aanleiding was dat de opname gemaakt werd door de Serooskerkse natuurvorser van het eerste uur, Jacob Viergever. De tot onderwijzer opgeleide maar later als procuratiehouder werkzame Viergever, was betrokken bij de oprichting van de afdeling Schouwen van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en tevens medegrondlegger van de Natuur- en Vogelwacht Schouwen Duiveland. De inzet toont hem (links) met oud-vogelwachtvoorzitter J.P. C. Boot.

Viergever maakte veel foto's en notities, die hij aIle naliet aan de vereniging waarvan hij na dertigjaar besturen tot ere-lid werd benoemd. Hij stierf op 24 maart 1983. In de Sterna (lente 1983), het lijfblad van "zijn" vereniging, noemde voorzitter F. Jansen hem "markant en uniek, met niemand te vergelijken", Met betrekking tot Jacob Viergevers verscheiden scbreef hij: "Zoals de ganzen is hij vertrokken. Opeens was hij er niet meer. Ver weg, om niet meer terug te keren."

?...

I

32. Van het dorp naar het vroegere haventje "Schelphoek" was destijds nog circa twee kilometer. Daaruit blijkt eens te meer dat de situatie ter plekke sterk gewijzigd is na 1953, zoals de Schouwse zuidkust door de eeuwen heen steeds grote veranderingen onderging. Door het almaar weer bouwen van slaperdijken ontstonden onder meer de ook nu nog bekende Koudekerkse, Flaauwers- en Weeversinlaag. Westelijk van laatstgenoemde beyond zich tot 1953 Heertjesinlaag. Hierin legde men in 1902 de getijdehaven "Schelphoek" aan.

Al in 1860 werd door een aantal belanghebbenden onder leiding van P. Goemans Mzn. een adres (verzoekschrift) tot de Staten van Zeeland gericht om tot de aanleg van een haven te komen. Men kreeg nul op het rekest en in 1888 volgde een tweede poging. Op 3 december 1901 ten slotte, besloten de gemeenten Serooskerke en Noordwelle tot uitvoering van de toen veertig jaar oude plannen. De "kaoije" werd aanbesteed voor f 32.575,-, waarvan het rijk en de provincie elk f 10.500,- opbrachten. Uitvoerders waren aannemer Geluk uit Tholen en metselaar Heijboer uit Serooskerke.

Eerst werd in Heertjesinlaag van buiten- naar binnendijk "d'n nieuwendiek" opgeworpen, die de oostwal van de haven moest gaan vormen. De daarvoor benodigde grond onttrok men aan een binnendijks gelegen weiland, waar een grote plas ontstond. De klei werd met paard en wagen en kipkarren in de inlaag gereden. AIle werkzaamheden konden op het droge worden uitgevoerd. Na de gereedkoming werd de zeedijk doorgegraven en beschikte Serooskerke en omstreken over een eigen landbouwhaven, die op 17 juli 1903 in gebruikkwam.

De ansichtkaart hiernaast is uit die tijd. De loswal is nog niet geheel klaar en op de achtergrond staat vermoedelijk dijkbaas O. van der Klippe de laatste werkzaamheden te overzien. Rechts achter de - naar in 1953 zou blijken - te lage havendijk zien we de boerderij van de weduwe Legemate-de Bruine en in de verte ,,'t leege van Schouwen" .

.:7(aven "Schelphoek' in Schouwen.

-----e,9~ -e.; ~~

33. De belangrijkste reden tot het aanleggen van een haven in de Schelphoek was de opkomst van de bietenteelt. De "peetied" in het najaar vormde dan ook de drukste periode voor de "Schel'oek". Af en aan rijdende boerenwagens en nog op de zeilen varende schepen bepaalden dan het beeld. Er werd voor twee fabrieken verladen. Die in Dinteloord ontving alleen aan het water, zodat daarheen alles per schip vervoerd werd. De fabriek in Puttershoek liet zowel over water als per tram leveren. Van beide bedrijven waren tarreerders op de haven aanwezig, die van elke leverancier twee monsters pag dag namen. Voor het wegen van de bietenwagens was een weegbrug aanwezig, waarop havenmeester van het eerste uur M. Beije weger was. Hij had aan de weg van "stad" naar Haamstede, onderaan de havendijk, een woning met cafe laten bouwen. Daar kwamen de werklui hun boterham eten en regelden de schippers en commissionairs telefonisch de bevrachting van de schepen.

J aar in jaar uit voeren dezelfde schippers op de Schelphoek. Namen als P. Dekker uit Sliedrecht en C. Leeuwenstein uit Papendrecht zullen oudere Serooskerkenaars bekend in de oren klinken. Misschien zijn het hun schepen op deze in 1911 gemaakte foto. Het is een momentopname van de bietencampage uit die oude tijd. Op de kade staan, van links naar rechts: L. Bakker (schrijver voor .Dinteloord"), Van der Schelde (losser), Snaauw (tarreerder voor de CSM), Marie Beije (dochter van de havenmeester), D. Landman (tarreerder voor .Dinteloord"), A. van Westenbrugge (losser), L. Klaase (tarreerder en herbergier te Kerkwerve), J oh. Beije (tarreerder), een onbekende en G. van der Schelde (losser). De rieken, manden, monsterzakjes en "peeschuve" (bij de witte paal): het zijn stuk voor stuk stille getuigen van noeste arbeid voor weinig geld.

34. Veel foto's van het verdronken Serooskerkse grondgebied zijn er niet overgebleven. Toch werden er ons enkele ter hand gesteld, waarvan hier een exemplaar van het in de vorige tekst aangehaalde cafe van havenmeester M. Beije. Ret stond onderaan de havendijk, langs de weg van Flaauwers naar de Plompe Toren. Achter het raam bevond zich de keuken, links ervan het schuurtje. Net naast de achterdeur zien we ,,'t uusje". Met de deur op het oosten zal het daar 's winters een frisse bedoening geweest zijn.

Ret rechter gedeelte van de woning was ingericht als herberg. Hier kwamen de havenwerkers "schofte" en maakten de schippers gebruik van de al vroeg aanwezige telefoon. De opname is van voor de oorlog, want in de jaren 1940-1945 sloopte de bezetter het gebouw. Later werd het op dezelfde fundering herbouwd.

Op de achtergrond zien we de door uitgraving ten behoeve van de oostelijke havendijk ontstane plas, die men ,,'t gat" noemde. Uiterst links ervan ontwaren we het boerenbedrijfje van Jacobus Oosse en wat naar rechts de arbeiderswoning van A.J. Oosse, waar toen A. Bos woonde. Voorlangs dit huis liep de vaart en de toenmalige Dijksweg. Vandaar kon men via de "Kleine Wegt" naar het "spulletje" van L.R. Bodbijl, dat we helemaal rechts aan de overgant van ,,'t gat" zien. Is het overigens niet wrang dat juist op die plek later een ander gat ontstond?

35. Een niet precies te dateren kiekje van een zogeheten peeploeg uit het begin van deze eeuw. De foto is uiteraard gemaakt op het haventje in de Schelphoek. Zittend op de "peemande" zien we Marien Oosse. De dames achter hem en geheel rechts op het plaatje zijn zijn dochters Liesje en Jannetje. De man rechtsboven, met de riek in de hand, is M. van den Houten en voor hem staat zijn zoon G. van den Houten. Achter de rechter "schuierwaegen" zien we J. Linders en links van Oosse staat C. Hart Jzn.

Het meeste werk op de haven werd gedaan door .Jos-errebeiers" , die bij de boeren in de omtrek allerhande landarbeid verrichtten en konden worden opgeroepen als er een schip te laden of te lossen was. Het verladen van "peeen" geschiedde echter door een vaste ploeg. Met manden en kruiwagens stortte men de bieten in de scheepsruimen, Gebruikelijk was, dat zij tegen twaalven een door de boer aangeboden glaasje port dronken. De arbeiders die op het land met het even zware rooien bezig waren kregen dat echter niet. Wie "in de peeen" werkte, bleef de hele dag op de "kaoije".

Later in het najaar was het al donker als er op huis aangefietst werd. Dan moest de carbidlamp worden ontstoken, want rijden zonder licht mocht ook toen al niet van de veldwachter.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek