Sluis in oude ansichten deel 2

Sluis in oude ansichten deel 2

Auteur
:   Emile Buysse
Gemeente
:   Sluis-Aardenburg
Provincie
:   Zeeland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4459-9
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Sluis in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Toen de hoofdonderwijzer van de Sluisse stadsscholen, P. Meesters, in 1828 het manuscript voltooide van zijn "Geschiedkundige bijzonderheden betrekkelijk De Stad Sluis in V1aenderen", waren zijn laatste woorden, na gesproken te hebben over de vernieling van Sluis door de Fransen: Wie Sluis na 1 794 niet meer gezien heeft, zou de stad niet herkennen, indien het Stadhuis, de Hoofdwacht en het Gasthuis niet overgebleven waren. Het eenigste wat ons nag blijft is het afvaren en aankomen der beurtschepen. Doch wanneer oak dat eens zal opgehouden hebben, zal er weldra niets meer van onze stad bestaan dan hare geschiedenis.

De beurtschepen zijn verdwenen, het Zwin is dichtgeslibd en ingepolderd, de "barge" Sluis-Brugge is verre historie en al de stoombootjes die er waren zijn vrijwel vergeten. Het kanaal Brugge-Sluis biedt aan Oostkerke-brug (door het springen der syphons in 1940) geen doorvaart meer en bij de bevrijdingsstrijd om de " Scheldt-Pocket", september-november 1944, werd 65% van het oude Sluis vernield.

Maar Sluis is herbouwd, het is thans, met de dagelijkse stroom van meest Belgische bezoekers, de derde stad van Nederland waar de meeste Belgische franken worden ontvangen. Het leed van de jongste oorlogsjaren is niet vergeten, doch de ergste wonden zijn geheeld. Wie het oude Sluis heeft gekend, maar ook zij die na 1944 zijn geboren, voelen toch een begrijpelijk heimwee in zich om nogeens terug te zien, of kennis te maken met, hoe het voor 1940 was.

In dit kijk- en leesboek vindt men er lang niet alles, maar toch weI veel van terug. Onze inleiding heeft tot doel, u te zeggen dat tenslotte geheel de opkomst van het Zwinland en van de Zwinstadjes een grote tragedie is geweest. Onze Sluisse historie is (vaak toch) schoon, doch wie van de details kennis neemt, ervaart dat de beslissende feiten van vroeger eeuwen de tragedie beklemtonen.

Het in de dertiende eeuw ontstane vissersdorp, Lamminsvliet, de nederzetting aan het Zwin, achter de oude dijk (thans nog

de Zuiddijk geheten), die het Aardenburger Ambacht moest beschermen tegen de vloeden, kreeg rond 1290 stadsrechten. Het klinkt zeer mooi, doch van werkelijke vrijheid is nooit sprake geweest, zelfs niet van algemene welvaart. Sluis werd onderworpen aan de heerschappij van Brugge, dat concurrentie duchtte. Brugge was het wettelijk hoofd van het klein ere Sluis, in het bijzonder waar het de vorming en de groei van de Sluisse ambachten gold; bovendien moesten "die van Sluys" Brugge volgen "by heirvaart ende bewapeninge". (Ruim tweehonderd Sluizenaars streden onder de banieren van de Brugse stedelijke militie in 1302 nabij Kortrijk, op het Groeningeveld, tegen de Franse ridders en boogschutters! ) Tal van malen werden de Sluisse ambachten beboet door Brugge, wanneer zij de reglementen op het aantal ambachtslieden en hun bevoegdhcden hadden overtreden.

Vooral het feit dat Sluis altijd werd opgeofferd aan de militaire belangen van de Vlaamse graven, van de hertogen van Bourgondie in het bijzonder, heeft de kleine stad belet zich te ontplooien. Alle vestingwerken, van de veertiende tot de zeventiende eeuw, heeft Sluis zelf betaald; het heeft zijn klokken van kerken en kapellen ervoor moeten afstaan. Tot 1386 was Sluis "persoonlijk bezit" van de graven van Namen. Hertog Filips de Stoute, die in 1384 graaf van V1aanderen was geworden, haastte zich (in 1386) om de stad Sluis te ruilen tegen een van zijn "eigendommen": de stad Bethune. Waarna hij (met Sluis' geld) zijn pasverworven bezit maakte tot een geduchte vesting. Tenslotte werd Sluis een bezitting van koning Filips II van Spanje, die in 1566 het verarmde stadje voor f 21.000,- aan Brugge heeft verkocht. Geen wonder dat Sluis zich in 1584 aan de zijde van Oranje schaarde. Na in 1587 door de Spanjaarden te zijn veroverd, kwam Sluis door het beleg van 1604, dank zij het leger van prins Maurits van Nassau, weer aan het Noorden. Doch niet als deel van Zeeland, slechts als een soort wingewest, rechtstreeks van Den Haag uit bestuurd, samen met het Land van

Cadzand en later ook met het huidige Oost-ZeeuwschVlaanderen het zogenaamde "Staats-Vlaanderen" vormend. Nadat Sluis van 1794-95 tot 1813 deel had uitgemaakt van Frankrijk, als een stuk van het Departement van de Leie, werd het pas in 1814 bij de provincie Zeeland gevoegd. Het is in de achttiende en de negentiende eeuw niet veel meer dan een rommelig en arm "garnizoenstadje" geweest.

De welvaart die er ongetwijfeld voordien toch was, begon rond 1290, toen de nieuwe stad nog Lamminsvliet heette. Daar werden dan reeds de goederen overgeladen in kleinere schepen met bestemming Damme en Brugge, omdat het Zwin verderop slecht en hoe langer hoe minder bevaarbaar was geworden.

De vreemde schippers hebben Lamminsvliet de nieuwe naam gegeven: "De Sluys", rond 1310, naar de eerste sluis genoemd die de vreemde schepen op hun weg via de Zwinmond naar Damme toe tegenkwamen: de sluis van de Vliet namelijk die daar in het Zwin uitmondde. Van 1320 af is de naam Sluis algemeen geworden, eerst als "Den Zluys", later Sluysin-Vlaenderen, kortom: ons Sluis van to en en van nu. Industrie van enige betekenis heeft Sluis voor 1940 nooit gehad. Het was in de achttiende eeuw een rustig "landbouwstadje"; het werd al van 1870 af ongeveer, een attractie voor enkele toeristen, na de Eerste Wereldoorlog meer en meer en na het begin van de jaren vijftig in toenemende mate! Vooral Sluis is nu weer "koopstad" als weleer, maar wei in heel andere betekenis. Voor de Sluizenaars zelf, tot aan de Tweede Wereldoorlog toe, was het voor alles, een gezellig stadje, "ons leutig ouw (oud) Sluusje", Om zijn zeer fijne atmosfeer en zijn heel merkwaardig, wat weemoedig coloriet (als van perlemoer en oud, kostbaar porselein), hebben tal van kunstenaars het gevonden, gewaardeerd en liefgehad. Mevrouw A. Bosboom-Toussaint (1812-1886) gebruikte in haar roman "Gideon Florensz." het Spaanse beleg van 1587. De kantonrechter te Oostburg, mr. Frans Erens, die in Sluis

woonde, schreef er in 1893 zijn zeer schoon proza dat onder de titel "Stille Steden" (Damme, Sint-Anna ter Muiden en Sluis) apart verscheen. Jan H. Eekhout werd er in 1900 geboren en schreef er in 1927 zijn eerste bundel verzen:

"Louteringen". De journalist Marie-Joseph Brusse (1873-1941) beschreef Sluis in de mobilisatietijd, 1914-1918, onder de titel: "In 't verbouwereerde oude Stadje", eerst als feuilleton verschenen in zijn krant, de Nieuwe Rotterdammer, in zijn rubriek: "Onder de Menschen".

En de beroemdste zoon van Sluis, Johan Hendrik van Dale (1828-1872), legde er met zijn "Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal" de grondslag voor de "Dikke van Dale" (achttiende druk: 1976). Van zijn hand is in 1871 ook het enige waardevolle historieboek over Sluis, "Een blik op de vorming der stad Sluis en op den aanleg harer vestingwerken, van 1382 tot 1587", verschenen. Wij vergeten allerminst, eraan toe te voegen dat het J.H. van Dale is geweest, als een van de initiatiefnemers voor het oprichten van een standbeeld voor Jacob van Maerlant in Damme, onthuld 1860, die daardoor een nieuwe band van vriendschap wilde zien ontstaan tussen het Koninkrijk Belgic en het Koninkrijk der Nederlanden. Schreiend, ontroerd in zijn schoonste vreugde en voldoening, keerde hij na de onthulling per verlicht en bevlagd bootje naar Sluis terug. In de oude Nederlanden, de Zuidelijke en de Noordelijke, in Belgie zowel als in Nederland, richtte hij bovenal het monument van de Belgisch-Nederlandse saamhorigheid op: in de vorm van het beste Nederlands Woordenboek dat onze landen ooit hebben gehad! Gaarne dank ik allen die mij bij het samenstellen van dit boekje hebben geholpen met inlichtingen en met oude prentkaarten en foto's. In het bijzonder oud-notaris H. Bakker te Ede (Gld.), Jimmy Debruecker te Knokke, Rene Dusarduyn en Willem J. Visser te Sluis.

1. Rond 1922 verkocht Pierre Wallet in zijn sigarenwinkel (hij was overigens muziekleraar aan het pensionaat St. Joseph), een fraai gekleurde, gestyleerde tekening van de hand van E. Jonckheere uit Brugge, in de vorm van een veelgevraagde postkaart, die de Toren van Bourgondie, het Zwin, het Groot Kasteel en Stadhuis met Belfort liet zien: einde veertiende eeuw! De tekening is van 1910; de fantasie krijgt men er gratis bij.

ratufi ~

,.

,]itg. J. Halula ar, S',;s. Wo. !C7ZS

Het Kasteel van SLUYS, ge chiedellis 17 Proviucien 't jaar 1694.

2. Weinigen weten dat de latere admiraal Piet Heyn omstreeks 1598 samen met zijn vader door de Spanjaarden werd gevangen genomen en, na in het Groot Kasteel opgesloten te zijn geweest, op een van de galeien van Frederik Spinola op het Zwin en elders vier jaar als slaaf heeft moeten roeien. Het "Groot Kasteel" (1386) in 1694.

3. Sluis met het toen nog vrij druk bevaren Zwin, al waren het aIle kleine schepen. Een tafereel uit 1718, dat door J. Batselaar als prentkaart werd uitgegeven. Links ziet u de St.-Janskerk, midden-rechts het belfort en aan de waterkant de stenen vestingwallen met uiterst links het Groot Kasteel.

!.i1tg. H. B.~t~ll,Jar. SlCl1 ~a. 5913.

4. Henri Batse1aar (tegenwoordig schrijft men Batse1aere) had in de Meerminnestraat, rond 1910, ook nog na 1920, zijn "Groote S1uissche Bazar", met duizend en een artike1en. Lees er de "geve1versiering" maar op na! Maar Batse1aar gaf tussen 1905 en 1910 ook enke1e prentkaarten uit, gemaakt naar tekeningen of gravures uit de Sluisse historie, onder andere die met het "Groot Kastee1" en het Zwin in 1718.

5. De volledige historie van "de bootjes Sluis-Brugge" (de meeste had den Sluis a1s "thuishaven") in de negentiende en twintigste eeuw moet nog worden geschreven. Er is weinig over bekend. Ret begon natuurlijk allemaa1 met "de trekschuit", met een of twee ('S zaterdags) paarden ervoor. Voor 1858 was er de barge van Lurquin uit Brugge, die a1s "conducteur", en van rond 1865 a1s eigenaar, J. Leijsennaar uit Sluis had. De barge, die tot rand 1893 dienst b1eef doen, op een zeer oud p1aatje, met de rokende schipper op het dek van de k1eine roef.

SOUVENIR DE L' ECLUSE.

6. "Souvenir de l'Ecluse", staat er op vele prentkaarten van voor 1910 met een stoombootje erop. Het douanekantoor voorbij "Au Petit Cafe" was er nog lang niet. Dit moet wel een van de oudste bootjes zijn, aanleggend voor "Hotel De Stad Sluis", tientallen jaren lang: "bestelhuis van de Boot".

.' "

SOUVENIR DE L'ECLUSE, I//.k ?

7. Tot mei 1940 (springen van de "syphons" nabij Oostkerke-brug) kon niemand zich Sluis voorstellen zonder barge eerst en zonder stoombootjes Sluis-Brugge later. Zij hoorden, wat poetisch, bij het schilderachtige beeld van de smalle Kaai (hier voor 1900). Het belfort was to en nog niet geheel gerestaureerd; zie de oude wijzerplaat.

8. Wat de oudste Sluizenaars nog goed hebben gekend was de "Stad .Sluis" van Joh. Brevet. Het bootje werd rond 1921 door schipper H. Dehne en zijn zoon Charles ("Sterke Charel") via Zeebrugge, over de Noordzee, naar Vlissingen-Midde1burg gebracht. Onderweg: averij! De rooster vie1 eruit, de ko1en verdwenen en het hout van banken moest zorgen voor "het kete1vuur".

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek