Staatsmijn Beatrix in beeld

Staatsmijn Beatrix in beeld

Auteur
:   André Weijts
Gemeente
:  
Provincie
:   Limburg
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1117-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Staatsmijn Beatrix in beeld'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Voorwoord

Nadat de auteur een succesvol en vrij omvangrijk boekwerk samengesteld en geschreven had over de voormalige Zuid-Limburgse steenkolenmijnbouw, was er toch nog een hiaat in de geschiedschrijving over deze boeiende tak van nijverheid. Afgezien van diverse mijnbouwkundige verhandelingen, technische beschrijvingen en geologische mededelingen zijn er tot op heden geen boeken over het onderwerp 'Staatsmijn Beatrix' verschenen. Dit was voor de auteur de gelegenheid om deze nog onbekende materie historisch geheel uit te diepen en om te zetten in een compact en leesbaar boek.

Het is vanzelfsprekend, dat de aanleg van de mijn het belangrijkste onderdeel vormt van deze beschrijving. Daarnaast zal in het kort ingegaan worden op de voorbereidende plannen en werkzaamheden, die aan de definitieve aanleg vooraf gingen. Ook zal teruggegrepen worden in het verleden en wel tot het jaar 1903, waarop de eerste boringen door een particulier verricht werden. Voorts zal verslag gedaan worden op welke gronden de aanleg gestaakt zou worden. Dat daarbij de financiële zijde niet belicht kan worden, spreekt voor zichzelf, aangezien de auteur niet kon beschikken over relevante cijfers.

Tenslotte zal er aandacht geschonken worden aan de gevolgen van het niet doorgaan van de inbedrijfneming van deze vijfde Staatsmijn te Vlodrop-Herkenbosch, zowel in sociaal, maatschappelijk en cultureel opzicht als ook voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de Roerstreek.

Glückauf! mei 1998

'De plechtige herdenkingsbijeenkomst in de ondergrondse garage van het hoofdbureau ter gelegenheid van het gouden jubileum van de Staatsmijnen in Limburg begon ruim een half uur te laat, wat ongewoon is bij een bedrijf als de Staatsmijnen, waar alles op stiptheid is ingesteld. Minister van den Brink heeft zich gehaast de verklaring van dit ongewone feit te geven. Toen Prins Bernhard na zijn aankomst op het hoofdbureau nog even sprak met minister president dr. Drees en Staatsmijnen-directeur dr.ir. Groothoff, werd het plan geopperd op deze gedenkwaardige dag (het vijftigjarig bestaan van de Staatsmijnen werd herdacht op 10 mei 1952) de nieuwe mijnzetel een naam te geven, suggestie Beatrix, maar Prins Bernhard gaf te verstaan, dat hij dit toch nog even met zijn vrouw moest overleggen. Er werd ijlings contact gemaakt met Hare Majesteit de Koningin en zij gaf de goedkeuring aan dit plan. Er barstte een spontaan applaus los, toen dit in de feestvergadering werd bekend gemaakt' (uit Nieuws van de Staatsmijnen).

ENERGIE

STROClM VAN BOVENGRONDSE ARBEIDERS. GEMIDDELDE LOOPAFSTAND;

BCNENGRONDER VAN INGANG TOT AFDELING CIRCA 4D5m ONDERGRONDER VAN INGANG TOT SCHACHT CIRCA 285m

SITUATIE STAATSMIJN BEATRIX. PLAN 15

VOORSPEL

Weinig mensen weten, dat de heer Schlusen voor het eerst boringen verrichtte op de plaats waar later in de nabijheid de Staatsmijn Beatrix aangelegd zou worden. Hij ligt in Herten begraven, vergeten, een anonieme figuur, wiens dood het definitieve einde van de hoop betekende, omdat hij tot de laatste minuut in zijn zaak geloofde. George Lodewijk Schlusen werd in 1876 te Den Haag geboren, waar zijn vader een ingenieursbureau bezat. In 1903 werd vanwege een wettelijk besluit door de Rijksopsporingsdienst van Delfstoffen een aanbesteding gehouden voor drie diepboringen nabij Vlodrop. Schlusen schreef hierop in. Ondanks zijn te hoge ramingsprijs werden de boringen aan hem gegund.

Hij nam enkele arbeiders en drie Belgische boormeesters in dienst, maar het werd een fiasco. De eerste boring in 1905 mislukte doordat het terrein constant onder water stond vanwege de hoge waterstand van de Roer. Bij het boren stuitte hij op een bron, waardoor alle weilanden rondom de boorplaats binnen korte tijd blank stonden. Hij kon technisch op geen enkele ervaring bogen en werkte met inferieure materialen, zo vermeldt een verslag. De tweede boring in april 1906 op nagenoeg dezelfde plaats mislukte eveneens. In februari 1907 werd boring drie aangezet en op 500 meter diepte werd de eerste steenkoollaag aangetroffen. Er werden vier lagen gevonden met een totale dikte van 5,24 meter. Schlusen had echter veel meer geld moeten uitgeven voor zijn werk en het was nog maar de vraag ofhet economisch verantwoord was de kolenlagen te ontginnen.

Jarenlang dwaalde hij over het mijnveld, de zogenaamde Meinweg. De hoop dat hij met particulier kapitaal het mijnveld zou kunnen exploiteren, droeg hij 50 jaar lang mee tot aan zijn dood. In 1919 vroeg hij aan Gedeputeerde Staten van Limburg toestemming om het veld te mogen ontginnen met de motivatie, dat hij niet alleen een belangrijk deel van zijn vermogen en diepboormateriaal maar ook jarenlange werkkracht in deze onderneming had geïnvesteerd. Op 27 september

Goorge Lodewijk Schlusen, mijnpionier (fotocollectie A.Weijts)

1920 werd echter een wet in voorbereiding genomen, waarin overwogen werd het Vlodropveld van Staatswege te gaan ontginnen. De Staat kreeg het eigendom over het terrein. In 1925 werd een andere wet aangenomen, waarin het mijnveld Vlodrop aan derden toegekend zou worden. Schlusen werd weer hoopvol en in Roermond werd een consortium opgericht waarbij de Canadese miljonair Biermans aanwezig was. Helaas zou de exploitatie van de mijn niet rendabel worden. De resultaten van de boringen werden pro Deo overgedragen aan de Rijksopsporingsdienst en het consortium werd ontbonden.

Na de Tweede Wereldoorlog schreef hij honderden brieven met rapporten over de resultaten van de boringen naar ministers, ambassadeurs en alle belangrijke Nederlandse en Amerikaanse oliemaatschappijen maar tevergeefs. In 1953 overleed Schlusen met de droom die hijzelf niet verwezenlijken kon. De enige erfenis die hij achterliet was het zwembad, dat ontstond door het bronwater uit het eerste boorgat onder de

weg naar een bassin te leiden.

ONTSTAAN VAN DE PLANNENVOOR STAATSMIJN BEATRIX

In een brief van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel aan de Staatsmijnen in Limburg, gedateerd 3 september 1919, werd gewag gemaakt van het feit, dat het de bedoeling zou worden de mijnvelden bij Vlo drop van Staatswege te doen exploiteren. Het rapport vermeldde verder:

'Het uitgebreide steenkoolgebied in de Peel met een oppervlak van 19.500 hectare bevat tot 1200 meter diepte een voorraad van bijna 2,5 miljard ton steenkool. Geologisch gezien hoort het gebied nabij Vlodrop ter grootte van 1000 hectare tot de Peelvelden. Gunstig in dit verband is de nabijheid van de spoorlijn Antwerpen-Gladbach, die te Roermond op het Nederlandse spoorwegnet aansluit. De dikte van het dekterrein ligt op circa 450 meter'. In een krant van 8 juli 1920 werd de uitbreiding van het Staatsmijnveld vermeld: 'Het steenkolenterrein Vlo drop vormt een geheel met de daar omheen op Duits gebied liggende velden

Elmpt en Tarnen, toebehorende aan de NEMOS (N ederlandsche Maatschappij tot Ontginning van Steenkolenvelden) . Het is de bedoeling deze velden te ontginnen door het delven van mijnschachten op zowel Nederlands als Duits grondgebied' (dit laatste is inderdaad gebeurd en vormde tot voor kort de mijn Sophia]acoba gelegen te Hückelhoven).

De exploratie van het Peelgebied werd met langere onderbrekingen in diverse etappes uitgevoerd. De Dienst der Rijksopsporingen van Delfstoffen deed tussen 1903 en 1916 uitgebreid onderzoekswerk naar de aanwezigheid van steenkolen in de Nederlandse bodem. In 1926 werd door Staatsmijnen een ontginningsplan van de Peelmijnen in studie genomen. De berekeningen voor wat betreft de rentabiliteit waren afhankelijk van de wisselende conjunctuur en van de geologische omstandigheden en waren derhalve moeilijk te bepalen. In 1938 werd de Peelcommissie ingesteld, die tot de voorlopige conclusie kwam, dat allereerst de ingewikkelde technische problemen op het gebied van de schachtbouw, temperatuur op de werkplek en de gesteentedruk opgelost zouden moeten worden. Het eindrapport werd niet uitgebracht vanwege de oorlog. In 1950 kwam echter een rapport uit over de steenkoolvoorraden in het zuidelijk Peelveld. Omdat de industrialisatie na de oorlog een geweldige vlucht had genomen, was het noodzakelijk zo snel mogelijk over voldoende energie te kunnen beschikken. Ook het verbruik van brandstoffen was door de bevolkingsaanwas sterk gegroeid. Deze motieven waren aanleiding tot de studie van ontginningsmogelijkheden van het Vlodropveld. In 1952 werd de nieuwe Peelcommissie ingesteld, die ondermeer uit vier subcommissies bestond:

De geologisch-mijnbouwkunde subcommissie moest zich een beeld vormen van de ligging, de kolenrijkdom en de structuur. De technischmijnbouwkunde subcommissie moest oplossingen vinden voor de locatie, de omvang en de opzet van mogelijke mijnzetels en het beheersen van technische problemen in het ondergrondse bedrijf op grotere diepten zoals schachtbouw, temperaturen, watertoevloed, storingen, gasgehalte en de gesteentedruk. De bedrijfseconomische subcommissie

zou de rentabiliteit van de aan te leggen mijnen beoordelen, terwijl de algemeen-economische subcommissie zich zou richten op de economische en sociale aspecten van de ontginningen en de gevolgen ervan op regionaal en landelijk niveau.

Sinds 1952 was de invoer van kolen uit landen die geen lid waren van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (E.G.K.S.) niet afhankelijk van de regels, zoals die voor de E.G.K.s. golden. Voorts ging de kernenergie een duchtig woordje meespreken. Na 1957 werden bovendien de prijzen voor zeevrachten en voor stookolie sterk verlaagd.

Ook de ontdekking van de grote aardgasvelden nabij Slochteren hadden een negatieve invloed op de verdere uitbouwen ontwikkeling van onze eigen steenkolenmijnbouw in het algemeen en in het bijzonder op de toekomstig aan te leggen mijnen in de Vlodrop- en de Peelvelden. In het Peelgebied waren drie mijnen geprojecteerd, die voorlopig de namen kregen van Peelmijn I, U en UA. Peelmijn I was geprojecteerd ten oosten van Swalmen met een mijnveld op Nederlands-Duits gebied. Peelmijn U lag ten noordwesten van Beesel en ten westen van de Maas, elk voor een jaarproductie van l,S tot 2 miljoen ton kolen. Peelmijn UA ten westen van de Maas was een soort proefmijn voor verkenningsdoeleinden met een jaarproductie van 0,5 miljoen ton. Deze proefmijn zou later eventueel omgezet worden in de Peelmijn U. De aanleg van deze verkenningsmijn zou de ervaring en het inzicht kunnen leveren, waardoor een verantwoorde beslissing voor de eventuele aanleg van een grotere mijn genomen zou kunnen worden, zodat de risicofactoren beperkt zouden blijven.

Peelmijn I bevatte gemiddeld 40% vetkool, de diepere lagen driekwartvetkooI en esskool (kolen met een gehalte van ongeveer 15 procent vluchtige bestanddelen). Peelmijn U bevatte 95% vetkool, geschikt voor de cokesfabricage.

2 Schematisch overzicht van het interieur van de boortorens tijdens het boren van de schachten op Staatsmijn Beatrix.

Men moest rekening houden met de diepte van de ontginning, de economische kolenvoorraad, afschrijvingen en rente, investeringen, opbrengst en kostprijs om tot een verantwoorde exploitatie te geraken. Op zijn vroegst zou de eerste Peelmijn in 1975 in produktie kunnen worden genomen gelet op de toekomstige behoefte aan energie in Nederland op basis van bijgestelde prognoses. Vooral vanaf het jaar 1958 trad een daling van het kolenverbruik op, waardoor het zeer twijfelachtig werd nieuwe mijnen in gebruik te nemen. Bedrijfseconomisch gezien is gebleken, dat deze mijnen al bij voorbaat verliesgevend zouden zijn. De Peelcommissie adviseerde dan ook, om niet tot ontsluiting

van de Peelvelden over te gaan.

De keuze van de plaats der Beatrixschachten en de verdere exploratie van het veld was afhankelijk van de volgende criteria: de beste combinatie van de eis naar een centrale ligging en een zo min mogelijke dikte van het dekterrein, de grootst mogelijke afstand tot de grens met Duitsland, tenminste 600 meter verwijderd van de zogenaamde Zandbergstoring en een geschikte positie voor de bovengrondse werken van de mijn.

De doelproductie bedroeg 1.800.000 ton per jaar. Aan de hand daarvan werd de schachtcapaciteit berekend. Daarbij moesten de volgende criteria in acht worden genomen: hijscapaciteit van de vervoersinstallatie, hoeveelheid lucht voor ventilatiedoeleinden, de kosten en de benodigde tijd voor het afdiepen, afhankelijk van de diameter. De voorkeur ging uit naar vervoer van kolen door de schachten met mijnwagens van 3500 liter inhoud en kooien met vier etages.

De keuze van de schachtbouwmethode werd ingegeven door de aanlegkosten, de tijdsduur van de aanleg, de kwalitatieve eigenschappen

van de opgeleverde schacht (betreffende de sterkte en de vervormbaarheid van de schachtwand en het verschil in belasting als gevolg van de afdiepmethode). De boorschacht verdiende om technische en financiële redenen de voorkeur.

Bij het bepalen van de vrije doorsnede van de schachten diende rekening te worden gehouden met: hoeveelheid lucht voor ventilatiedoeleinden (gesteld op 24.000 rrr' per minuut), de hijscapaciteit van de vervoersinstallaties (aantal trekken per uur, de nuttige last per trek, aantal ter beschikking staande uren), de kosten en de benodigde afdieptijd afhankelijk van de diameter.

In 1926 werd door een consortium het kolenveld grondig verkend. Door gebrek aan Nederlands kapitaal struikelde deze onderneming.

In 1937 werd door een ander consortium een concessie aangevraagd voor een mijnveld onder de gemeenten Maasniel, Swalmen, Beesel, Neer en Kessel. Ook deze poging liep op niets uit. Reeds in november 1949 verschenen artikelen in de kranten over de aanleg van de nieuwe mijn, waarbij men zich afvroeg, of Midden-Limburg een 'Mijnstreek' zou worden. Bij boringen in Meinweg vond men de kolen op 473 meter diepte. De laagdikte variëerde van 30 tot 175 cm. Voor de betrokken streek tussen Maas en Roer en de Duitse grens zouden andere tijden aanbreken, die een volslagen ommekeer te weeg zouden brengen. Vanwege het bevolkingsoverschot in Midden-Limburg zou het vinden van voldoende personeel geen groot probleem opleveren. De vestiging van een of meer mijnzetels kon het industrialisatieproces voor MiddenLimburg versnellen en de streek de mogelijkheid bieden om zich te ontwikkelen tot een bloeiend centrum van industriële en commerciële ondernemingen. Het zou een soort revolutie betekenen voor deze agrarische streek. Er zouden woningen gebouwd moeten worden. Roermond zou als oude cultuurstad centrum van de streek blijven en haar aantrekkingskracht doen gelden, als woonplaats van hogere ambtenaren en vestigingsplaats van kantoren.

Op 19 februari 1952 werd besloten de mijn aan te leggen. Juist in het gouden jubileumjaar van Staatsmijnen werd door de Minister van Economische Zaken bekend gemaakt, dat op korte termijn met de bouw van de mijn begonnen zou worden.

3 Het slaan van de eerste paal voor de plaatsbepaling van de aanleg van een der schachten op Staatsmijn Beatrix. De foto werd op 15 april 1954 genomen (fotocollectieDSM).

Op 18 september 1952 ging de Ministerraad accoord met het voorstel om de Staatsmijnen te machtigen met de ontsluiting van dit mijnveld een aanvang te maken. De concessie was 2200 hectare groot. Tot een diepte van 1200 meter waren 100.000.000 ton steenkool ontginbaar. De steenkoollagen bevatten ruim 50% magerkool, 30% vetkool en voor de rest esskool. In verband met het feit, dat de productie van huisbrandkolen op Staatsmijn Wilhelmina geleidelijk aan terugliep, betekenden de kolen uit het Vlodrop-veld een welkome aanvulling op de huisbrandvoorziening in Nederland.

De Peelhorst was een voortzetting op Nederlands grondgebied van het Duitse bekken, waarin de Duitse mijn Sophia-]ocaba te Hückelhoven gelegen was (deze mijn ging onlangs dicht). In 1957 waren onderhandelingen gaande over het verwerven van het ontginningsrecht van een op Duits grondgebied gelegen terrein, dat aan de Vlodrop-concessie grensde. Dit teneinde de kans op ontginning van Staatsmijn Beatrix

en de eventuele Peelmijnen te verhogen. Het contract werd getekend in 1958. De concessierechten werden door de Staatsmijnen verworven. De kolenwinning in de Beatrix-concessie zou eerst ten oosten van

de Zandbergstoring plaatshebben. De kolenlagen ten westen van deze breuk lagen dieper. De mijn zou volgens de planning in 1965 in bedrijf worden genomen en dan aan 6000 tot 7000 personen werkgelegenheid hebben geboden.

De schachten werden volgens de boormethode aangelegd met zware en sterke boorapparatuur. De schachtwand bestond uit twee zware stalen cilinders van verschillende diameter, die in elkaar pasten en waarbij de ringvormige tussenruimte met beton werd gevuld. De stalen cilinders werden opgebouwd uit secties van 3 tot 6 meter hoogte. Deze secties werden na het boren van de schachten boven het boorgat aan elkaar bevestigd en aan de onderzijde afgesloten door een bodem, zodat het geheel als een schip bleef drijven in het met dikspoeling gevulde boorgat. Deze stalen cilinder zakte steeds verder naar beneden naarmate er nieuwe secties op bevestigd werden. Het boorgat werd 7,5 meter. De

binnenste staalmantel had een diameter van 5,80 meter (de uiteindelijke schachtdiameter ).

EXPLORATIEWERKZAAMHEDEN 1959-1960

Het verloop der werkzaamheden werd ernstig vertraagd door het onverwacht optreden van aanzienlijke wateroverlast in de beide in aanleg zijnde schachten. Ultimo december 1960 had schacht 1 een diepte van 552 meter en schacht 2 een diepte van 573 meter. Volgens het schema zou de diepte van beide schachten op dat moment 625 meter moeten hebben bedragen. Derhalve moesten tijdrovende cementinjecties in het omringende gesteente worden toegepast en tevens een speciale pompenkamer worden aangelegd. Het werk volgens het tijdschema van oktober 1959 liep bij schacht 1 toen 6 maanden achter, terwijl dat bij schacht 2 ongeveer 10 maanden bedroeg. De eerste doorsneden kolenlaag was bij de schachten resp. 1,37 en 1,49 meter kool met een goed nevengesteente. Er werden drie storingen aangetroffen. Door de watervoerende storingen moest het veiligheidsdak van 30-50 meter op 50-100 meter gebracht worden.

In verband met de langdurige concentratie van de winning op de eerste verdieping kon voorlopig afgezien worden van alle voorzieningen ten behoeve van het eventueel te zijner tijd ontsluiten en in ontginning brengen van een tweede verdieping.

Het één-verdiepingssysteem maakte een aangepast vervoersschema voor de beide schachten mogelijk, zodat bij schacht 2 na een relatief geringe ombouw van de ophaalinstallatie nog vele jaren met de bestaande schachtbok kon worden volstaan. In de nieuwe opzet kon met één laadplaats worden volstaan. Deze moest in verband met de ventilatie groter en vollediger zijn dan het oorspronkelijke ontwerp. Het totale steengangennet kon omvangrijk minder worden. De concentratie van de produktie op één verdieping leverde een besparing op aan vervoersen onderhoudskosten.

4 De aluminium beplating wordt op een der boortorens boven de af te diepen schachten aangebracht op

22 juni 1955 (fotocollectie DSM).

AANLEG SCHACHTEN

Voor de aanleg van de schachten werd een aantal boringen verricht. De laatste daarvan was 1250 meter diep en bevond zich tussen de twee geprojecteerde schachten. Het doel van de boringen was:

nauwkeurige verkenning van het dekterrein, dit om de hoeveelheid druk en soort van het water vast te stellen, bepaling van de dikte der kolenlagen en bepaling van de geschiktste afdiepmethode.

De concessie van 2200 hectare werd doorsneden door twee grote storingen: de Meinwegstoring en de Zandbergstoring. De hoeveelheid ontginbare steenkolen bedroeg 100 miljoen ton, met de aanvullende Duitse concessie werd dit beduidend meer. De top van het Carboon lag op 479 meter diepte. De kolenlagen waren iets dunner dan de Zuid-Limburgse lagen. In mei 1954 begon men met de werken. Er werden werkplaatsen, magazijnen, kantoren, een compressorengebouw, badgebouwen, klaarbassins, kleimengers, spoelingsbassins en een reservebassin voor kleispoeling gebouwd.

De schachten lagen 100 meter van elkaar. Zij hadden tot 250 meter diepte een nuttige diameter van 5,80 meter, van 250 tot 500 meter een diameter van 5,60 meter, in het carboon is de doorsnede 6 meter.

De voorschachten werden tot de grondwaterspiegel van 20 meter afgediept bij een diameter van 9 meter. De wand werd met gewapend beton bekleed. De 32 meter hoge boortorens werden daarna opgesteld. Zij waren geheel van staal. Tussen en naast de boortorens kwam een betonnen vloer voor de opslag van de verschillende boren, die met een verrijdbare hijsinstallatie alle bereikbaar waren.

Het boren van schacht 1 begon op 16 mei 1955, het boren van schacht 2 op 12 augustus 1955. De voorschacht en het boorgat waren steeds met dikspoeling met een soortelijk gewicht van 1,2 gevuld (methode Honigmann verbeterd door de Vooys). Het boorgat werd opengehouden door de overdruk van de dikspoeling (een verdeling van zeer fijne kleideeItjes in water). Tegen de wand van het boorgat vormde zich een

kleihuidje. Omdat de druk van de dikspoeling groter was dan de waterdruk, werd een beetje water in het gesteente gedrukt. Dit gesteente werkte nu als een zeef en liet de klei niet door. Om de viscositeit op peil te houden werden chemicaliën toegevoegd. Het vloeistofpeil in de schacht en het soortelijk gewicht moesten gelijk blijven door het aanvullen van de suspensie en door het meer of minder toevoegen van klei aan de dikspoeling.

De suspensie ging door het boorgat naar beneden en werd door de boorbuis omhoog gezogen. Een mammoetpomp zorgde voor voldoende zuiging. In de boorbuis was een luchtbuis aangebracht tot 39 meter diepte. Hier doorheen werd perslucht van 5 atmosfeer geblazen, waardoor de kleisuspensie met een grote hoeveelheid lucht werd vermengd en dus een lager soortelijk gewicht kreeg. De hydrostatische druk in de buis werd lager. Door het verschil in soortelijk gewicht en druk steeg de suspensie in de boorstangen. De opgepompte dikspoeling werd met het losgeboord materiaal via de spoelkop naar de klaarbassins geleid, waar zand en andere grove delen uit konden zakken. De spoelkop bevond zich tussen de vierkantstang en de eerste boorstang. De kop werd gecentreerd door de spoelkopgeleider, daar anders de spoelkop met de boorstangen ging meedraaien. De spoelkopgeleider bestond uit twee armen, die de verticale beweging van de boor langs U-balken in de voorschacht meemaakten. Nadat het soortelijk gewicht van de suspensie weer aangepast was, werd deze weer naar de schacht gepompt. Er was een reservebassin met 5.500 m' suspensie.

Er werden 200, 340, 440, 520, 590, 650, 705 en 755 cm diameter boren gebruikt. Om economische redenen werd het boren met twee verschillende diameters tegelijkertijd gedaan. De complete boorinstallatie bleek bij de grote diameters al spoedig te zwak te zijn. Zij moest in hoge mate versterkt worden. Het aantal rollen per boor werd van vier naar drie stuks teruggebracht waarbij de krachtoverbrenging naar de rollenboren verbeterd werd. Het gewicht van de 7,65 meter boor werd 15 ton zwaarder en deze woog in totaal 55 ton.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek