Staatsmijn Beatrix in beeld

Staatsmijn Beatrix in beeld

Auteur
:   AndrĂ© Weijts
Gemeente
:  
Provincie
:   Limburg
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1117-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Staatsmijn Beatrix in beeld'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

21 Blik in de cuvelagefahriek. Een cuvelagesegment is verticaal geplaatst en zal automatisch gelast worden, terwijl het geheel langzaam ronddraait. Een aantal van deze segmenten vormen een cuvelagering. Het totaal aan cuvelageringen vormt de schachthekleding. Opname uit 1957 (fotocollectie A.Weijts).

binnensectie en deze verbond men met bouten op de voorafgaande binnensectie. Dan werd de tussenruimte met mortel opgevuld. Om het geheel 3,60 meter te laten zakken, werd zoveel ballastwater ingepompt, dat de bovenkant van de cuvelage op gelijke hoogte met het maaiveld kwam. Daarna werd er weer een binnen- en een buitensectie geplaatst. Na 142 secties had de bodemsectie de bodem bereikt.

Tijdens het inlaten mocht deze 500 meter lange buis de boorgatwand niet aanraken vanwege de sponsachtige kleverige kleikoek. De meting van het verticaal laten afzakken geschiedde met een 100 kilo zwaar schietlood. Het inbrengen van de cuvelage in deze schacht verliep zeer voorspoedig. Vervolgens werd tussen buitensectie en schachtwand mortel ingebracht, waardoor een goede verbinding met het gesteente ontstond. De overblijvende ringruimte van 400 meter tot het maaiveld pompte men vol bitumen, waardoor bodem bewegingen beter opgevangen konden worden.

In de winter traden de volgende problemen op met de cuvelage:

Bij strenge koude waren de secties, opgesteld op het cuvelageterrein enorme koude lichamen. Dit betekende gevaar bij aanraken met blote handen (vast vriezen), optreden van secundaire spanningen tijdens lassen, tijdverlies door het verwijderen van ijs, ijzel of sneeuwen de mortel kon niet zonder meer tegen deze koude wand worden aangebracht. Derhalve moesten de secties voorverwarmd worden (luchtverhitters in boortoren).

Bij hoog water en vorst werd op de rivieren niet gebaggerd en van wege de kleine voorraden bij grinderijen kon stagnatie optreden voor wat betreft de levering van toeslagstoffen zand en grind. De opslaghopen zouden bevriezen.

Cement en vliegas voerde men in bulk per auto aan, zodat in de winter problemen konden ontstaan.

Het betonneren zou bij minstens 10 graden boven nul moeten geschieden. Het zand en de vliegas zouden voorverwarmd worden.

Controlemetingen

Bij het inlaten van het eerste deel van de cuvelage werd de rechtheid van de bodem met de twee buitensecties en een binnensectie alleen door wandlodingen gecontroleerd. Na het plaatsen van de vijfde binnenen buitensectie werd speciale meetapparatuur ingebouwd. Door middel van vier lichtbronnen en verstelbare diafragma's voerde men controlemetingen uit, ook op de betondikte. Een meetapparaat diende om de stand van een geplaatste buitensectie ten opzichte van de vorige te bepalen. Een ander meetapparaat gebruikte men om de afstand tussen de binnen- en buitensectie te controleren. De meetinstrumenten gaven tijdens het boren hun bevindingen door aan een radiozender, die signalen door het 500 meter lange boorgat naar boven zond waar ze opgevangen en in leesbare grafieken verwerkt werden.

Overige toestellen

Voor het transport van de secties werd een hijsjuk gebruikt voor zowel de binnen- als de buitensecties. Bij de inbouw van de eerste cuvelage in schacht 2 moest de bokkraan zowel voor het transport van de secties als voor de in toren 1 benodigde boren gebruikt worden, zodat het hijsjuk snel aangehangen of afgehaakt kon worden. Het juk was uitgevoerd met drie armen, aan de einden waarvan hydraulisch bediende draag- en grendelbalken aangebracht waren.

Bovengronds bedrijf

Elke schacht zou een ophaalmachine (vermogen ongeveer 10.000 PK) met gekoppelde kooien (zes etages elk een wagen met 4 rrr' inhoud) en vier-kabelophanging verkrijgen. Voorlopige vaststelling verdiepingen 600,750 en 900 meter. In beide schachten kwam een inspectiekooi met trommelaandrijving. De losvloer kwam loodrecht op de as van de schacht.

De hoofdventilator bevond zich bovengronds, schacht I werd intrekkend, schacht 2 werd uittrekkend. Mogelijkheid tot aanleg van schacht

3 op 100 ofmeer meter ten noorden van schacht 2. Kolenverwerking:

22 Interieuropname van de werkplaats met op de voorgrond een aantal messen boren (fotocollectie DSM).

drijf wasserij voor 16-200 mm, cycloonwasserij voor 6-16 mm, deinwasserij voor kolen kleiner dan 6 mm en schuiminstallatie. Eventueel een drooginstallatie voor geflotteerde slik. Bunkerloze verlading.

Het bovengronds bedrijf was zodanig ingericht dat de afstanden tussen de afdelingen zo klein mogelijk werden gehouden, terwijl uitbreidingen zeer goed mogelijk waren bij een vergroting van de produktie met

100 procent.

De kolen werden getrokken op schacht 1 met twee installaties, elk bestaande uit een kooi met contragewicht. Het personen-, materiaal- en steenvervoer zou via schacht 2 gaan.

De kolen werden ondergronds gelezen op hout en ijzer en gebroken tot onder 200 mmo In ondergrondse bunkers werden de kolen gemengd. Deze bunkers waren tevens buffer voor de wasserij. Vanuit de skip werden de kolen gedoseerd aan de wasserij met een capaciteit van 200 ton per uur.

De losvloer was op de hoogte van het maaiveld gelegd en voorzien van personenvervoerbordessen en slechts een wipper voor afvoer van stenen. De wasserij leverde slechts twee produkten: cokeskolen en mixtes. De edelslik werd zonder thermische droging bij de fijnkool en de gemalen noten gevoegd. Steenafvoer geschiedde met een transportband naar de steenbunker en van daaruit of naar de steenberg of naar de Maas (Deltawerken).

Bovenkomende wagens met materiaal werden naar de overslag gebracht en daar gekiept. Er volgde een sortering in drie soorten:

- Materiaal dat gerepareerd moet worden door de CWO (Centrale Werkplaatsen Organisatie) of andere mijnbedrijven

- Materiaal dat gerepareerd moet worden door derden

- Materiaal dat gerepareerd moet worden in eigen werkplaats

Het arbeiderspersoneel kwam binnen via de loonhal in het zwart/wit hakenbad. Via de lampisterie voor zelfbediening, de stofmasker ruimte, de winkels voor uitgifte voor klein materiaal kwam het personeel in de opstelruimte. Hierin bevond zich ook de stofmaskerreiniging, de ver-

bandkamer en de reddingskamer. De kantoren, opzichterskamer, loonhal, badlokaal en aanliggende gebouwen waren gelijkvloers.

Het hoofdventilatorengebouw (capaciteit 18.000-24.000 rrr' per minuut met een 2500 PK motor), het machinegebouw, het schakelstation en het ketelhuis waren aaneengebouwd. De electriciteitsaansluiting geschiedde met hoogspanningskabels vanaf Buggenum.

Totale bezetting bij een produktie van 2000 ton per dag Ophaalbedrijf (10), losvloer (11), wasserij (2 1), kolenlab (3), kolenafvoer (18), steenafvoer (10), machinegebouw etc. (8), baden (8), lampisterie (8), magazijn (8), mijnhout opslag (8), transportdienst (14), sorteerloods (8), schrotverwerking (2), werkplaatsW (40), werkplaats E (6), werkplaats EW (6), onderhoud W + E ophaalbedrijf (14), onderhoud W + E wasserij (12), onderhoud energie W + E

(10), onderhoud losvloer (4), onderhoud restW + E (18), BW onderhoud (12), planburo onderhoudsdienst (10), meet- en instrumentatiedienst (8), poetsen kantoren loonhal (10), diversen, tekenkamer, arbeidsanalyse, staf, rijwielbewaker (13) exclusief scholieren Ondergrondse Vakschool (OVS) , Technische Vakschool (TVS) , volontairs, militairen, OTB-ers.

Voorts ondergrondse beambten (50), bovengrondse technische beambten (50), bovengrondse administratieve beambten (20), ondergrondse arbeiders (840), bovengrondse arbeiders (300 zie boven) en bovengrondse administratieve arbeiders (20).

In 1967 zal het totale personeel uit ongeveer 6150 personen bestaan, waarvan 4250 ondergrondse en 950 bovengrondse arbeiders.

23 Close-up van de speciale veel-spillige boormachine. De kop met twee rijen van elk acht boren was in een aparte standaard ondergebracht. Opname uit 1957 (fotocollectie A.Weijts).

Planning en ontwerp voor de Staatsmijn Beatrix

Tijdelijke gebouwen bovengronds bedrijf:

In 1954 werden besteld de werkplaatsloods, het bad- en schaftlokaal, een schakelstation met ketelhuis, het machinegebouw, een kantoorgebouw, een portiersloge, garage en fietsenrekken.

Ontwerp losvloer:

Het ontwerp van de losvloer was gebaseerd op een schachtvervoersinstallatie van twee ophaalmachines elk met een kooipaar van zes etages. Schacht 1 zou 175 wagens per uur van de 625 meter verdieping kunnen trekken. Sch

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek