Van ziekenkoets tot ziekenwagen (1906-1945)

Van ziekenkoets tot ziekenwagen (1906-1945)

Auteur
:   Dr. K.J.J. Waldeck en drs. T.H. Gras
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-2634-2
Pagina's
:   144
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2-3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Van ziekenkoets tot ziekenwagen (1906-1945)'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Inleiding

Aan het einde van de negentiende eeuw kregen hygiene en goede voeding steeds meer aandacht. Daarnaast nam het inzicht in het ontstaan van besmettelijke ziekten hand over hand toe. Waterleiding en riolering werden aangelegd en stinkende grachten gedempt. Mede door wetgeving op het gebied van besmettelijke ziekten kregen nieuwe ziekenhuizen - vo oral in de grate steden - een belangrijke taak in de verpleging en verzorging van patienten met een besmettelijke ziekte. Het waren in het algemeen de armlastigen die werden opgenomen. De welgestelden bleven liever thuis en werden oak thuis behandeld. Men ging op eigen kracht naar het ziekenhuis of werd in het beste geval met een ziekenkar of een ziekenrijtuig gebracht.

Aan het einde van de negentiende eeuw had de auto met benzinemotor zijn opwachting gemaakt (A). Het zau niet lang duren voordat dit nieuwe fenomeen oak als ziekenwagen in beeld kwam. Aanvankelijk werd zijn betekenis voor het ziekenvervoer nag niet haag aangeslagen. Het knetteren van de motor, het geruis bij het rijden en de stank werden niet als gunstig beoordeeld voor verant-

A Met enige trots me1dt de Automobie1-MaatschappijVerwey & Lugard uit 's-Gravenhage de levering van twee Fiat ambulance-automobie1en aan Het Nederlandse Rode Kruis.

PRIJS '0 CENT. u- Jaargnng.

25 JUNI 1914.

No. 26.

Het Nederlandsche Roode Kruis

heeft ons de levering opgedragen van

TWEE F.I.A.T.

AMBULANCE - AUTOMOBIELEN.

Verwey & Lugar-d's AutomobteleMaat'I. Lean van Nleww Ooet-Indte. ? 's-GRAVENHAGE.

GE'iLLU5TREERD WEEKBLAD VOOR AUTOMOBILI5TEN Offici ee l ~ Orgaan

van de Koninklijke Nederlandsche Aufomobiel Club.

B Raderbrancards zijn tot in de Tweede Wereldoorlog veel gebruikte vervoermiddelen voor zieken en gewonden geweest. Deze raderbrancard wordt voortgeduwd door de heer De Bloeme, schoenmaker en hulpagent te Vlaardingen (zie ook 33a).

woord ziekenvervoer. De elektrische auto (zie 3 en 11) kreeg aanvankelijk de voorkeur, ondanks zijn geringe actieradius en trekkracht. Maar zoals overal elders kreeg de auto met benzinemotor toch de overhand, oak in het ziekenvervoer, al zouden met name bij Gemeentelijke Geneeskundige Diensten nag tot aan de Tweede Wereldoorlog rader- en rijwielbrancards in gebruik blijven (B).

Met 'Van ziekenkoets tot ziekenwagen' wordt de ontwikkeling van de ziekenautomobiel tot en met de Tweede Wereldoorlog in beeld gebracht.

De patienten

De ziekenhuizen aan het begin van de twintigste eeuw waren nag voornamelijk bedoeld voor verpleging en verzorging van ernstig zieken als gevolg van een besmettelijke ziekte of als gevolg van een ongeval. Het was over het algemeen de charitas van zowel protestante als katholieke zijde, die die ziekenhuizen in stand hie1den, alhoewel oak enkele gemeenten zich iets aan de zorg voor hun burgers gelegen lieten liggen. Medische specialisten waren nag nauwelijks aan deze instellingen verbonden. Welgestelden werden door hen thuis bezocht en als het moest oak thuis

C Dr Essers stelde zijn eerste paardentractie-ziekenrijtuig in 1905 in dienst.

behandeld, tot aan een operatie toe. Antisepsis en asepsis en de noodzaak van ingewikkelder diagnostiek en van grotere ingrepen maakten het noodzakelijk dat oak de medisch specialisten hun heil in de ziekenhuizen zochten. De meestal ernstig zieke patient moest dus steeds vaker naar het ziekenhuis worden gebracht. In slecht afgeveerde en eigenlijk niet voor dat doel geschikte rijtuigen over hobbelige wegen moet dat geen pretje voor de patient zijn geweest (C). Hij kwam dan oak meestal meer dood dan levend aan.'

eigen kracht thuis te komen. Dan kon de dokter een ziekenwagen roepen.

De hulpverlening tijdens het vervoer was en bleefbeperkt tot het vervoer en, als er iemand achterin meeging, geestelijke ondersteuning. Uiteraard probeerde men de patient zo comfortabel mogelijk te laten liggen. Matrassen, luchtbedden en speciale veringen onder de brancarddrager

De hulpverlening en de uitrusting De (huis) dokter kwam vaak al snel ter plaatse en verleende eerste hulp. Door zijn kennis en vaardigheden kon hij soms mensen definitief verzorgen en naar huis sturen. Hij schatte in ofbezoek aan een ziekenhuis nodig was. Vaak legde hij verbanden aan. Soms moest iemand echter in het ziekenhuis verder behandeld worden of was hij te

zeer gewond of ziek am op D De Amsterdamse fietsenfabrikant Simplex was een bekende leverancier van fietsbrancards.

moesten daaraan bijdragen. Een ondersteek kon aangelegd worden en zelfs een bekertje water was mogelijk.

Een medicijnkastje bevatte soms niet veel meer dan een klein flesje cognac am een patient wat op te kikkeren of een flesje ammoniak am te controleren ofhet 'slachtoffer' wel echt bewusteloos was of alleen maar te diep in het glaasj e had gekeken. Voor het slachtoffer van een ongeval standen meestal een eenvoudige verbandkoffer en een eenvoudige spalk ter beschikking. Pas later deed de zuurstofset zijn intrede en vlak voor de Tweede Wereldoorlog de beademingsautomaat van Drager (zie 23 b).

De hulpverleners

Voor de gemeentelijke diensten was tot de Tweede Wereldoorlog de politieman de aangewezen persoon voor eerstehulp-bij-ongelukken. Hij was oak degene die uitrukte met rader- of fietsbrancard (D). De agent riep er dan vaak een gemeentearts bij. In Groningen bijvoorbeeld rukte altijd dokter Nathans uit, die daarmee een bekende verschijning werd bij ongevallen.' Tot ver na de Tweede Wereldoorlog reden gemeenteartsen in Den Haag mee op de zogenaamde eerste wagen, de ziekenwagen, die bestemd was voor spoedeisend vervoer. In klein ere plaatsen was men gewend de huisarts erbij te halen. Alleen in de grotere gemeenten, zoals Amsterdam en Rotterdam, werd de ziekenwagen oak door een verpleger bemand.

Moest iemand per ziekenwagen vervoerd worden, dan waren het meestal de particuliere vervoerders die dit voor

hun rekening namen. De begeleiding bestond dan uit een chauffeur en meestal een begeleider van verpleegkundige oorsprong. Vaak was dit de wijkverpleegster. Vrijwel elk stadje had een afdeling van het Groene of Witte Kruis en vaak nag een vereniging die gespecialiseerd was in het verzorgen van zieken thuis. In sommige steden speelden oak de leden van een EHBO-vereniging ofhet Rode Kruis een belangrijke rol in de bemanning van de ziekenwagen.

E Een echte ziekenkaets. De patient werd met zijn voeten eerst naar binnen geschaven!

telijke ziekten. Hier en daar hadden oak gemeentelijke ziekenhuizen hun eigen ziekenkoets, vo oral am welgestelden naar de instelling te brengen (F).

Dr Essers bestelde vermoedelijk in 1906 in Amsterdam de eerste ziekenauto in ons land en bracht die in 1 907 op de weg. In Duitsland wordt overigens hetzelfde jaar aangehouden

vo or de eerste ziekenauto. We liepen wat dat betreft dus niet achterop. Essers heeft met zijn ziekenwagens op Duitse congressen nag furore gemaakt. Aanvankelijk probeerde men het oak in ons land met elektrische ambulances. Maar net als overal elders werden die gauw verlaten en maakten ze plaats voor ziekenwagens met benzinemotoren.

Voor een nieuwe ziekenwagen werd een chassis met motor aangekocht. Niet zelden waren dit chassis van enige jaren oud en voor een ander doel gebruikt. Een carrosseriebedrijfbouwde er dan een speciale, houten ambulancekoets op. Er waren gerenommeerde bedrijven, zoals

F Het Van Herson Ziekenhuis in Gouda had zijn eigen, door een paard getrokken ziekenwagen.

De voertuigen

De ziekenkoetsen (E) werden ter beschikking gesteld door kruisverenigingen, zoals in Friesland en Groningen Het Groene Kruis en in Noord-Holland HetWitte Kruis.Als men lid was van zo'n ins telling kon men tegen een geringe vergoeding van deze voorziening gebruikmaken. Bij de grotere gemeenten had de Reinigings- en Ontsmettingsdienst een rijtuig voor het vervoer van lijders aan besmet-

Pennock in Den Haag en de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij. De van oorsprong rijtuigmakers onderscheidden zich van de wagenmakers. De eersten waren meer in staat tat kwaliteitsprodukten dan de laatsten, yond men. Maar de prijzen deden er oak toe en dus hebben de wagenmakers zich goed kunnen handhaven.

Vele jaren mochten de ziekenwagens van buiten als zodanig niet herkend worden. Hij moest meer lijken op een limousine, zowel in opbouw als in kleur (zie b.v. 16)! Va oral de welgestelden wilden in het begin van de twintigste eeuw niet dat de omgeving door het voorrijden van de ziekenwagen wist dat men naar het ziekenhuis werd gebracht. Het gebruik van zwaailichten was nag helemaal niet aan de orde. Het beperkte zich tat lamp en met een rood of wit kruis. De drietoon kwam vlak voor de Tweede Wereldoorlog wei al in zwang. In Amsterdam werd daarmee geexperimenteerd.3

Als chassis (met motor) werden altijd kostbare merken gebruikt. De Nederlandse Spyker was zeer geliefd tot aan het faillissement van de fabrikant, de firma Trompenburg in Amsterdam, in 1925. Daarna volgden vooral de grote Amerikaanse merken, zoals Cadillac, Studebaker, Lincoln en Packard, naast Ford en Chevrolet. Zelfs de crisisjaren deden de verkoop van deze chassis niet verminderen! Oak na de Tweede Wereldoorlog waren met name Cadillac en Packard nag zeer populair. Merkwaardigerwijs waren Europese merken toen niet zo in trek. Citroen heeft verschillende malen geprobeerd de Nederlandse markt te

veroveren, maar zander veel resultaat. Oak (Mercedes-) Benz bleefin die tijd zeer bescheiden.

De organisatie

N aast de particuliere ziekenvervoerders en de gemeentelijke diensten waren het vo oral de ziekenhuizen zelf, die ziekenwagens exploiteerden am hun clientele op te halen. Een ziekenwagen werd via een telefooncentrale opgeroepen. Maar de meeste telefooncentrales functioneerden aileen overdag, zodat 's ochtends vroeg diverse aanvragen voor vervoer tegelijkertijd plaatsvonden. Dit alles leidde tot grote vertraging bij het vervoer van de zieken naar het ziekenhuis.

De organisatie voor het verlenen van eerste hulp stand meestallos van het ziekenvervoer, zelfs in de grotere steden, zoals Groningen (G).2 Meestal werd het ongevallenvervoer door de gemeentelijke diensten uitgevoerd, terwijl de particuliere vervoerders het (geplande) ziekenvervoer deden (zie b.v. 9). Alleen in grote steden waren beide in handen van gemeentelijke geneeskundige diensten. Buiten de steden was al het vervoer in handen van particuliere vervoerders, waaronder oak ziekenhuizen, EHBOverenigingen en afdelingen van het Rode Kruis.

Een belangrijk element bij de organisatie is de alarmering, helemaal in een tijd dat telefoons nag niet zo wijd verbreid waren. Alleen de kruisverenigingen hadden een regeling die het plaatselijke oversteeg. Zo functioneerde in Groningen de 'Nachttelefoondienst', waarmee men had

G Tot 1939 werd in de stad Groningen het vervoer van slachtoffers van een ongeval per fietsbrancard uitgevoerd. In dat jaar werd voor het eerst een ziekenauto van het merk Studebaker (1938) in dienst geste1d.

geregeld dat 24 uur per dag op een meldpunt een ziekenwagen besteld kon worden. Andere provincies volgden dit voorbeeld.

In het algemeen was de gang van zaken als voigt: bij een ongeval werd de politie gewaarschuwd, die dan een arts waarschuwde. Bij spoedgevallen thuis belde men direct de huisarts. Oordeelde deze vervoer naar bijvoorbeeld een ziekenhuis nodig, dan werd gekeken wat het beste vervoermiddel was. Het kon heel goed zijn dat men een taxi

belde of dat de politie iemand even thuis bracht. De ziekenwagen was alleen voor ernstige gevallen. Deze werd besteld bij de plaatselijke garagehouder (die oak vaak autoverhuur deed) of taxi onder nemer. Overigens waren zij gewend op onregelmatige tijden te worden ingezet en hadden zij meestal wei een regeling waarbij altijd iemand te bereiken viel.

Verantwoording

Toen het plan werd opgevat in navolging van' Ambulances in beeld 1945-1975, van ziekenwagen tot ambulance', een Toen-boekje te wijden aan ambulances van v66r

1945, wisten we nag niet hoeveel fotomateriaal terug te vinden zou zijn. Met hulp van velen die enthousiast hebben meegezocht, is een grote hoeveelheid foro's van wisselende kwaliteit tevoorschijn gekomen. Met veel zorg is geprobeerd een goed overzicht te geven van de auto's die de voorkeur verdienden van ambulancebedrijven. Natuurlijk is daarbij oak gelet op het verhaal achter de foto.

In sommige gevallen heeft dat tot de keuze geleid een wat minder goede foto tach af te drukken.

De determinatie van de auto's was niet altijd even gemakkelijk, vooral niet van de auto's van voor 1920. Maar oak voor de auto's van de periode daarna was het niet altijd gemakkelijk, omdat carrosseriebedrijven soms onderdelen van diverse merken of types gebruikten voor het definitieve product. Diverse mensen met expertise op dit gebied zijn ons behulpzaam geweest. Desalniettemin moesten we ons meestal beperken tot het noemen van het merk en indien bekend het type en het jaartal. Nadere gegevens over bijvoorbeeld het aantal pk's zijn zelden meer te achterhalen. De auteurs hebben veel zorg be steed aan het achterhalen van gegevens en het controleren daarvan. Desalniettemin zijn vraagtekens overgebleven of onvolkomenheden gehandhaafd. We hebben ze genoemd en we zijn dankbaar voor iedere correctie of aanvulling am de geschiedenis van het Nederlandse ziekenvervoer te vervolmaken en in toekomstige uitgaven te verwerken.

Fiat (1909). De eerste ziekenwagen in Meppel. De man met de strahoed is de heer E.]. Meester, apothekersassistent ter plaatse. Zijn betrakkenheid bij deze ziekenwagen staat niet vast, maar het valt we1 op dat behalve in Amsterdam met de apotheker Essers ook in Meppe1 een apothekersassistent een rol spee1t in het ziekenvervoer. Ook het Rode Kruis spee1t kennelijk een rol gezien de aandacht die voor de Rode Kruisvlag wordt gevraagd. De carrasserie toont twee interessante kenmerken. Nadat de voorbank naar voren is geklapt, wordt de baar via de zijdeur naar binnen geschoven. De baar is bovendien met de voeten in de rijrichting opgeste1d. Een opstelling, die bij ve1e ziekenwagens in den beginne gebruike1ijk was, maar sne1 verla ten werd. (zie ook omslag)

1 a Altena (1906)

Dr C.WA. Essers Iiet in 1906 deze op benzine rijdende auto maken bij de NV Haarlemse Automobiel

& Motorrijwielfabriek v /h A. Altena, die dat zelfde jaar overigens nag failliet ging. Essers is de vader van de Nederlandse gemotoriseerde ziekenwagen. Hij was geen arts maar apotheker en scheikundige, die zich interesseerde voor ziekenvervoer. De opbouw doet sterk denken aan een rijtuig en is geheel van hout. Trots meldt Essers dat dit gedaan is 'met het oog op de grondige reiniging en desinfectie van het inwendige'."

1 b Altena (1906)

Door zijn achtergrond in de gezondheidszorg Iiet Essers de ambulance uitgebreid uitrusten. Boven in het interieur is een kastje te

zien met flesjes medicijnen. Oak een ondersteek ontbreekt niet. Die kon van pas komen bij lang ere ritten. Essers haalde uit diverse plaatsen in de wijde omgeving van Amsterdam patienten op am hen naar

een ziekenhuis in die stad te brengen. Nag een noviteit in de auto was de elektrische verlichting en het seintoestel waarmee de begel eiders achterin contact konden houden met de chauffeur.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek