Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 2

Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 2

Auteur
:   H. Kerkkamp
Gemeente
:   Rheden
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0432-6
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

INLEIDING

Bij de boekjes die verschijnen in de bekende serie "in oude ansichten" gaat het in de eerste plaats om het dorpsbeeld in het nabije verleden, dat men populair pleegt aan te duiden met "in grootmoeders tijd", om bebouwing, straten, wegen en paden, landgoederen en parken en de omringende natuur. Bij uitbreiding ook over het dorpsleven: over de dorpsbevolking en haar cultuur, voor zover daarin opmerkelijke veranderingen zijn te constateren. En dat zijn er vele! Zou er wel een generatie zijn, voor welke het aspect van het woondorp en de gang van het eigen leven daarin zozeer zijn veranderd als voor de thans hoogbejaarden, die de tijd van vóór beide wereldoorlogen bewust hebben meebeleefd?

Veranderingen ten goede en ten kwade. Wiens herinnering zover terugreikt, kon in het dorp van vóór en even na de eeuwwisseling nog veel terugvinden van de oude structuur. Vanaf de oorspronkelijke, agrarische samenleving met verspreide hoeven en enken, waarvan elk het toegewezen deel bewerkte; met haar gemeenschappelijk gebruik van weiden, bossen en heiden.

Door zelfvoorziening werd in de meeste behoeften voorzien. De open ruimten werden allengs opgevuld. Landgoederen ontstonden... en verdwenen weer. Akkercomplexen vielen uiteindelijk de bouwexploitatie ten offer. De polder werd woonwijk. De boeren werden uit het dorp gebannen, een enkeling aan de periferie uitgezonderd. En de perceeldeling ging steeds door: meer huizen, elk op een steeds kleiner wordend stukje grond. En daarom de lucht maar in: hoogbouw. Verandert de dorpsnaam nog eens in Flatdorp? Voeg daarbij het gebruik van de moderne energiebronnen en van de moderne techniek, het teloorgaan van oude ambachten en de verandering van levenssfeer en levensgang is compleet. Er ontstonden prachtige buitenwijken, doch de oude dorpskern kwam in het gedrang: verlies van groen en tuinen, toenemende betegeling, rijen geparkeerde auto's langs de wegen, drukke verkeersstromen over de hoofdverkeersbanen. In één woord: verstedelijking.

Deze serie uitgaven wil beelden van dit verleden vast-

leggen. Meest fotografische. Wat zijn we rijk met dergelijke verzamelingen ten opzichte van vorige geslachten, aan wie enkel penseel en tekenstift van kunstenaars ten dienste stonden. We missen in die beelden evenwel het authentieke, terwijl er anderzijds een dimensie aan wordt toegevoegd. En toch ervaart men voortdurend, dat er nog altijd te weinig wordt vastgelegd. De ongelooflijke ontwikkeling van de kunst van fotograferen en reproduceren heeft de studie der geschiedenis enorm bevorderd, aldus J. Evans in "De Glorie der Middeleeuwen".

Bij elke afbeelding vindt u een beschrijving van het zichtbare met, zo mogelijk, een persoonlijke herinnering. Kan een auteur deze een ruimere inhoud geven, dan is het mogelijk dat het accent verschuift naar de toegevoegde tekst. Deze wordt dan gevormd door snippers van velerlei takken en takjes van kennis en wetenschap. Een bonte verzameling van wetenswaardigheden. Wat niet paste in het kader van een plaatselijke geschiedenis of een monografie over een deel daarvan, wat te wijdlopig of te bijzonder daarvoor was, vindt hier een neerslag en maakt een goede kans

niet terecht te komen in de snippermand der vergetelheid.

Een nieuw deeltje - het vierde van des schrijvers hand - ligt voor u. Al werd voor de onderschriften een maximum grootte toegestaan, het werkte toch als "het leggen op een Procrustes-bed". Deze rover uit Eleusis gebruikte een bed, waarop hij zijn gevangenen vlijde, die hij dan door uitrekken of inkorten op maat maakte. Het eerste was in ons geval vrij zeldzaam en trouwens ook niet noodzakelijk, maar van het kappen zou men kramp overhouden. Niettemin was het samenstellen-schrijven een genoegen.

Moge dit deeltje met dezelfde belangstelling worden ontvangen als de vorige delen.

1. In de westelijke helft van het schip van de Oude Jan (dat met de ramen) werd gedurende tientallen jaren godsdienstonderwijs gegeven, de zogenaamde vragenschool. Bij verschillende dorpsgenoten, die de aartsvader zagen, zal nu het beeld van de gedrongen gestalte van cathechiseermeester Lens in de herinnering komen. Toen de nieuwe kerk op 14 februari 1841 was ingewijd, begon de ontluistering van het oude godshuis met de sloping van het koor. Binnenmuren werden neergehaald, andere opgemetseld. Aanvankelijk hield een damescomité een naai- en spinschool in de vrijgekomen ruimte van het schip; tot de bouw van "De Nijverheid" in de Brugweg. Daarna werd deze ruimte als catechisatielokaal gebruikt. Vele veranderingen werden aangebracht, met weinig eerbied voor de stijl van het in de dienst vergrijsde oudje. Maar wat volgens veler gevoel de genadeslag zou zijn, werd het sein voor een algeheel herstel. In groter glorie is de Oude Jan herrezen.

2. Zo zag de Oude Jan, gemeenzame benaming voor het oude kerkje aan de Kerkstraat, uit het oosten gezien, er uit vóór de restauratie, nadat het gotische koor in 1841 was afgebroken. In de tufstenen muur bevindt zich de dicht gemetselde triomfboog met een deurtje daarin naar een gedeelte van het schip, de zogenaamde soepkamer, met twee grote fornuispotten, waarin, wanneer het Velpse broek onder water stond, soep werd gekookt voor de uit hun huis verdrevenen. Tevens diende de ruimte voor de opslag van kolen. Het ijzeren hek omsloot de vroegere grafkelders van Overhagen en Biljoen, die voorheen binnen het koor lagen, en andere, waarvan die van de Van Arnhems van Rosendael en die van de Van Ecks van Overbeek de voornaamste waren. De prachtige gotische zerk van eerstgenoemd geslacht werd naar het midden van het koor verlegd en raakte gevierendeeld.

3. Dit is de klok van P. Hemony, die bij gratie van de bezettende macht in de toren van de Oude Jan mocht blijven hangen. Haar voorgangster, de oude "St. Claes klok", hadden de Fransen in 1672 geroofd. De Velpse bevolking bracht "uit Christelijk medelijden en liefde" contanten in guldens, rijksdaalders, dubbele dukaten, zilveren ducatons en zilveren tobmannen bijeen, zodat aan de bekende klokkengieter opdracht kon worden gegeven een nieuwe te gieten. Zij draagt het opschrift:

Non sunt loquelae neque sermones quarum non audiuntur voces earum. P. Hemony me fecit 1676. Deze Latijnse tekst is ontleend aan Psalm 9:4. "Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen." Het zijn de klokke klanken uit de hoge toren alleen. Nog roept zij de levenden en beweent zij de doden: Vivos voco, mortuos plango.

4. De boerin met witte plooimuts en blauwe slob, die daar een emmer water uit de put naar boven heeft gehaald, is vrouw Handele, De opname werd gemaakt omstreeks 1900, een tijd waarin "mevrouw" nog niet voor burger-, boeren- of arbeidersstand gebruikelijk was. De hoeve stond ten zuiden van de Oude Jan en was bekend als "Klompenmakershofstede", wat impliceert, dat er eens een klompenmaker het naam gevende bedrijf heeft uitgeoefend. Nadien hebben er enkele geslachten Handele in gewoond. Het huis, al tientallen jaren geleden gesloopt, stond - zoals oudtijds gebruikelijk - met het werkgedeelte, waarin grote achterdeuren, naar de weg. De boerendracht, de put (die tevoren nog een zwengel heeft gekend), de wit geschuurde klompen die op het rek te drogen hangen, de valgordijnen, de groene vensterluiken, de wingerd aan de muur en het rieten dak ademen een sfeer, die in het moderne dorp al vele, vele jaren is verdwenen.

5. " Ooievaar, krijg ik asjeblief een zusje?", riep een klein meisje naar de ooievaar, die op het hoge nest in de tuin van de voormalige pastorie bij zijn jongen stond. Vol verwachting blikte ze naar boven. Het zinde de vogel op dat ogenblik zijn rode snavel recht omhoog te steken en hem met een statige zwaai tot op zijn borstveren te doen dalen. "Hij knikt van ja", constateerde het blondje opgetogen. En inderdaad: na een jaartje was het zover.

In de wijde omtrek is thans geen ooievaar meer te vinden. De latere bewoner van de weem, de heer d'Ancona, rentmeester van het kroondomein, heette een bekwaam nestenbouwer te zijn. De verslechtering van het leefmilieu kon hij echter ook niet tegengaan. Als herinnering draagt nu een weg in het vroegere broek de naam Eiberstraat. De oude dorpsbevolking sprak echter van uiver: "Uiver, uiver, langepoot..."

6. Met het oog van een historicus speurend op de oude begraafplaats aan de Reinaldstraat (thans gesloten behalve voor erkende rechthebbenden), viel ons oog op een kleine obelisk, tussen de vele staande stenen van het gebruikelijke formaat. "Johanna Lindo geb. Nijhoff overl, 22 April 1900", stond erin gebeiteld. We stonden bij de laatste rustplaats van "Mooi Ann van Velp", de naamgevende hoofdpersoon van een bekende sage. In de tuinzaal van hotel Naeff trad omtrent het midden van de vorige eeuw eens een hoempaorkestje op. Een extra omnibus uit Arnhem voerde onder anderen de familie Nijhoff uit Arnhem aan. Een jonge secondant van de kostschool van Van Woelderen maakte kennis met Anna, een dochter van de rijksarchivaris. Een adorerend artikel in de stedelijke krant, een verloving, een huwelijk. Hij heette Mark Prager Lindo, een Engelsman, beter bekend onder zijn schrijverspseudoniem "de Oude Heer Smits".

7. Ter plaatse goed bekenden zullen bij het bezien van dit plaatje worden herinnerd aan de Zwitserse boerderij nabij de grote vijver op Biljoen vanwege de gevelversiering, de kunstig uitgezaagde daklijsten. Staaltjes van sierkunst, van huisvlijt, uit het alpenland. Bestaat er verband? Baron Van Spaen deed zo'n decoratieve hoeve op zijn landgoed bouwen. En nu heeft "Oosterwolde" aan hem toebehoord in de jaren, dat de freules Van Hoogendorp erin woonden. Daarna diende het gebouw als dameskostschool en vervolgens als mannenslaapzaal van het oude mannen- en vrouwentehuis. De Zwitserse boerderij ging in vlammen op. Het afgebeelde bijgebouw viel onder de mokerslagen van de sloper. Zo vergaat vaak nog de merkwaardige schoonheid die het verleden ons liet.

8. Het straatventen behoort vrijwel tot het verleden. In de dagen van onze jeugd had je de marskramer, die in zijn mars allerlei kleine koopwaar meevoerde; de kiepen- en de pottenkeerl, de man met de pak (ellewaar), de bezembinder en de petroleumventer. In het geëigende jaargetijde zag men de wagen met Zuiderzeeharingen (een kwartje per emmer) en de handkar met Betuwse kersen. Tot de categorie kleine kooplieden moet men ook "de kleine Ko" rekenen, die zijn magazijn op het onderstel van een kinderwagen meevoerde. Een dwerg. Hij werd verpleegd in het gesticht "Oosterwolde", en luisterde naar de afkorting van de firmanaam op zijn rijdende winkeltje. Later volgde zijn omscholing naar het gilde der straatmuzikanten, waartoe voorts werden gerekend de orgelman, de hoempa's, een doedelzakspeler, een violist en de liedjeszanger. Met een buikorgeltje, een aristomphe, trok kleine Ko in latere jaren voor het verkrijgen van een regelmatiger inkomen van deur tot deur.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek