Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 3

Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 3

Auteur
:   H. Kerkkamp
Gemeente
:   Rheden
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0433-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Velp en Rozendaal in oude ansichten deel 3'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

INLEIDING

De herkomst van onze dorps-, stede- en andere prehistorische pleknamen is moeilijk te achterhalen. Ze wortelt in de schemering van onze historie. De schrijfwijze van de naam kan daarbij voor een voor de hand liggende uitleg zorgen, maar die is dan meer ogenschijnlijk en oppervlakkig, dan grondig en wetenschappelijk, doordat men geen rekening hield met de veranderingen die deze naam in de loop der eeuwen heeft ondergaan. Dan ontstaat er een verklaring, die soms het karakter van een fabeltje heeft. De enige lof is: aardig gevonden.

Beter doet hij, die alle schrijfwijzen noteert ~ naar tijdsorde - en daarin zin en een logische lijn probeert te ontdekken. Een ding komt dan aanstonds vast te staan: er is een deel van de dorpsnaam afgestoten. Het oorspronkelijk drielettergrepige woord is, na eerst tot een tweelettergrepig woord te zijn gereduceerd, samengetrokken tot één lettergreep. De onverklaarbare naam blijkt dan te bestaan uit twee betekenisvolle delen. Vallepe, Villepe, Vellepe, Val, Vil, Vel, dat is slecht. Ons vuul, vuil? Het komt ook voor in Veluwe en Valburg. Epe, eppe (latijn voor water). Dus: slecht water. Hoe is het mogelijk, zal men vragen, aan de Veluwezoom met zijn kristalheldere beekjes?

De wetenschap der toponymie (plaatsnaamkunde) wordt in Duitsland meer en wetenschappelijker beoefend dan hier te lande. In casu heeft men er opgetekend de namen van beken en riviertjes, eindigend op eppe en epe. Bij een blik op de kaart merkt men dan op dat ze hoofdzakelijk voorkomen in een strook langs Ruhr, Lippe en Ems, zijrivieren van de Rijn, tot in het deltagebied van de rivier. Het is een logische conclusie dat de trekkers langs deze weg de naamgevers waren en dat zij de vroegste, vaste bewoners van de Veluwezoom waren. Veehouders, vooral schapenboeren waren zij. Schapen nemen genoegen met de schrale heide, doch ze zijn allerminst afkerig van gras. Toen op de uitgestrekte heiden van Lüne-

burg het aantal schaapskudden allengs te groot werd, begaf een aantal boeren zich op de trek langs de grazige groengronden; met kortere of langere marsen, al naar de omstandigheden van weer en wind en weiden. Immer stroomafwaarts. Zo arriveerden ze in de Liemers.

Op een goede dag zijn ze de IJssel overgestoken en hebben ze zich neergezet op de stroomrug langs de rivier. Enkele opgeworpen woonterpen, de achtergebleven veldnamen en een vondst van Romeinse voorwerpen bij de Durk getuigen daarvan. In de komgronden van het Arnhemse en Velpse broek hebben ze "slecht water" aangetroffen. De waterstand in de rivieren moet in die eeuwen ongeveer één meter hoger zijn geworden. Steeds vaker kwam het onbedijkte weiland onder water te staan. Velen trokken naar de hogere en drogere zandzoom. Kreeg de beek die het meeste water aanvoerde (de Rozendaalse) intussen de onverdiende naam "VelepPe", een naam die overging op de daaraan gelegen nederzetting?

Het water bleef wassen, de bevolking nam sterk toe en het leven werd geleidelijk moeilijker. Er ontstond onrust. Er gingen geruchten rond over goede weidegebieden ver, ver in het westen, over de grote zee. Op zekere dag hebben ze hun hebben en houden op karren geladen en hun vee bijeengedreven. Opnieuw op de trek; een nieuwe toekomst tegemoet. Waar de zee het smalst was ~ nabij Calais - zijn ze overgestoken met hun legendarische aanvoerders Hengist en Horsa, hebben ze het land veroverd en er zes koninkrijkjes gesticht. De grote meerderheid heeft dit nieuwe vaderland gezocht en gevonden. Een kleine minderheid bleef achter. Deze heeft het in de eerstvolgende eeuwen zeer zwaar gehad. Zij wierpen tegen de steeds wederkerende watervloeden ons dijkstelsel op. Een titanenarbeid! Is het wel waar dat de besten steeds wegtrekken?

Nadat de landverhuizers-veroveraars in zuid-Éngeland voet aan wal hadden gezet, gaven ze hun nederzettingen en lande-

rijen, die ze in gebruik namen, wegens gelijke dienstbaarheid dezelfde namen die ze in het oude vaderland daaraan hadden gegeven. Ook dit deel van hun woordenschat, met geleidelijk veranderende spelling en met nieuwe elementen, is in het moderne Engels overgegaan. Dezelfde geografische namen kregen aan deze zijde van de Noordzee een geheel andere geschiedenis. De blijvers werden overspoeld door een gedeelte van de grote stam der Franken. Een Frankisch dialect ging overheersen en hieruit ontwikkelde zich onze Nederlandse taal. De bestaande landschappelijke namen werden door de

Franken overgenomen; begrepen of onbegrepen. In het laatste geval werden ze wel gewijzigd in een woord dat er fonetisch op leek. De volksetymologie speelde er haar spel mee; het werden ingvaeonismen. Het verklaren werd nog moeilijker, toen door verandering van cultus en van agrarische bedrijfsvoering deze plekken niet meer dezelfde dienst deden. Wie echter deze vreemde namen, met behulp van vele hulpwetenschappen, tracht te ontraadselen, vindt meermalen een verklaring in het Engels, als oudere taalvormen daarvan niet ter beschikking staan. Want èn vele Engelse veldnamen èn de ingvaeonismen in onze taal zijn voortgekomen uit de gemeenschappelijke taal van vóór de volksverhuizing.

En nu de betekenis van de naam Rozendaal. Het dal der rozen? Is de herkomst wel zo poëtisch? Sierbloemen kunnen we ons pas voorstellen in de hoven van de middeleeuwse kastelen en in de kloostertuinen. De strijd om het bestaan sloot het kweken ervan vroeger uit. De naam zou betrekking moeten hebben op de wilde roos, de egelantier, doch deze wordt in het beekdal niet aangetroffen. En is het aannemelijk dat bij wijze van uitzondering een oeroude veldnaam - want dat is het - een bloemennaam wordt gebruikt? De voor de hand liggende verklaring kan niet juist zijn; hier is sprake van een verscholen betekenis.

Rozendaal is een veldnaam uit de oudste laag. Hij komt onder andere bij Huissen voor. Een oudheidkundig onderzoeker (Jellinghaus) noteerde hem in Westfalen vijftien maal. Het zijn immer moerassige plekken. Het raadselach tige eerste deel moet zijn ontstaan door volksetymologie. Van rush, dat is bies; rush, rus, russe, ros, roesse, roessen, rozen. Er lag een weide genaamd de Rosdomp in het voormalige Arnhemse broek (domp, dat is poel). Dikwijls komt de naam met het bepalend lidwoord voor: den Rosendal. Bij Terwalde in 1771: ,,'t goed den Roscndael".

De plaatsnamen komen niet zelfstandig voor. Meestal meervoudig; er ligt een dorp Velp bij Grave en een ander van gelijke naam, bij Emmerik, werd door de Rijn verzwolgen. In België treft men een riviertje de Velpe aan. Naast Rozendaal (Gld.) bestaat er een Roosendaal (N.B.) en een gehuchtje Roosendael bij Kleef.

Velp en Rozendaal, de namen onzer dorpen. Ze fluisteren van verre geheimen.

Ten slotte. De samenstelling van weer een nieuw album met oude ansichten en foto's wordt er met elk volgend deeltje niet gemakkelijker op. Om een genoegzaam aantal interessante afbeeldingen te vergaren, waarover wat te vertellen valt, is niet eenvoudig. We hopen daarin - de derde bundel over onze dorpen Velp en Rozendaal, de vijfde in totaal - ook ditmaal te zijn geslaagd. Vooral dank zij de behulpzame hand van velen. Aan allen onze vriendelijke dank. We noemen in het bijzonder: Oudheidkundige Kring Velp-Rozendaal, Topografische Dienst van Gelderland te Arnhem, het Politiemuseum te Velp, G.W. Berends te Velp, D. van Delden te Brielle, mejuffrouw L. Godron te 's-Gravenhage, A. Kolkman te Rheden, zuster Leocadie te Velp, E.J. Kruyswijk Jansen te Dieren, H. Minkman te Rheden en mevrouw L. van der SlecnScholten te Velp.

1. VELP. Van welke zijde een fotograaf zijn camera op ons oudste historische monument richt, van verre of nabij, als de appelaars te bloeien staan of als alles is toegedekt onder een witte wade, onder dreigende luchten of onder een hemel met schapenwolkjes, steeds krijgt men een interessant beeld. Geen nieuws; getuige het grote aantal foto's dat in omloop is. Maar wie heeft ooit de Oude Jan gezien vanaf het beekje, dat voorheen - thans maakt het water een grote omweg - achter de boerderij "De Bongerd" van Binsbergen door de akkers tussen Reinaldstraat en het Straatje zijn weg zocht naar de grote vijver van "Biljoen"? Enkele blekerijen dankten hun ontstaan aan het eertijds heldere nat. "Biljoen" had het recht er kreeftenkaren in te leggen. De Atalantaflat dringt zich naast het silhouet van het oude kerkje op, zoals overal de hoge flats in plaats van de kerktorens de bakens vormen die in het landschap de ligging van grotere plaatsen aanduiden.

2. In de jaren voor de laatste wereldbrand was de Oude Jan tot een steen des aanstoots verworden. Nadat wat noordelijker aan de Kerkstraat een nieuw godshuis verrees, werd van het oudje het bouwvallige koor gesloopt. In het schip kwam een naai- en spinschool en daar leerden de meisjes ook breien. De dienstbaarheden wisselden in de loop der jaren, maar geleidelijk aan werd het kerkje bouwvalliger en deed vrijwel geen dienst meer. Nutteloosheid bevordert verval. Toen maakten de granaten van de bevriende zijde generzijds de rivier de aanblik nog desolater. Als de nood het hoogst is ... Het besef van het vele, dat ons lief was en dat verloren ging, opende de ogen, voor wat ons bleef. Met steun van de overheid sloeg Velp de handen ineen. Als historisch monument kreeg de Oude Jan een volledige restauratie. Uit de bouwval herrezen, wijst zijn spits weer in grotere glorie naar het blauw van de hemel. Het plaatje toont de wanorde in het schip even voor de voltooiing.

3. We weten er weinig van, hoe omtrent 1580 een parochie werd getransformeerd tot kerspel. De ene zondag stond de pastoor voor het altaar en deed de mis in gewijd kerklatijn, de andere zondag was het altaar verwijderd, besteeg de dominee de kansel en hield een preek in nuchter Nederlands. Op 5 november 1580 droeg het hof Johannes Fontanus en zijn helpers op "den armen onderdanen en kerspelsluden van Velp het alleenzaligmakende Woord Gods te verkondigen". Fontanus heette eigenlijk Put, maar hij nam de naam Fontanus aan (fontanus, dat is fontein). Hij wilde een fontein des heils zijn. In enkele kerspels in onze streek bestaat de overlevering dat de eerste predikant een dominee Johannes zou zijn. Als veldprediker kwam hij met "de Casimirsche ruiters", tegelijk met graaf Jan van Nassau, naar Arnhem. Men noemt hem de hervormer van Gelderland. Hij stierf in zijn huis "Fabitatie" aan de Tivolilaan te Arnhem en werd in de Grote Kerk aldaar begraven.

4. Berend Teunissen, koper- en blikslager, loodgieter, putten- en pompenmaker (later centrale verwarming) en hoe men de takken van zijn veelzijdige vak nog meer zou kunnen noemen, was een van de oude handwerkslieden met liefde voor zijn vak. Als hij in de tijd van de gilden had geleefd, zou hij zich met recht Meester (met een hoofdletter) mogen noemen. Toen de Oude Jan na de Tweede Wereldoorlog een volledige restauratie onderging, werd een gedeelte van de werkzaamheden aan Teunissen toevertrouwd: de vervaardiging van de bronzen dakgoten aan de kapel en het maken van een nieuwe haan en bol op de torenspits. Hij moet het als een eervolle opdracht hebben ervaren. Reeds in 1960 was hij door de Nederlandse Maatschappij van Nijverheid en Handel met de gouden eremedaille onderscheiden. In zijn lange leven was hij een liefhebber van muziek; niet minder dan tachtig jaren was hij lid van de RozendaaJse Kapel.

5. Bovenstaande villa, voorheen aan de Beekstraat gelegen, zou met recht de naam weem, middeleeuwse pastorie, mogen voeren: ze was gebouwd op de Pastoriekamp of Weem. Tijdens de ambtstijd van dominee De Jong - eeuwenlang woonden er pastoors en later dominees - werd met deze traditie gebroken (omstreeks 1910). De eerste vaste bewoners van ons dorp hebben aan beek en broekrand een vierkant stuk grond omgracht; daarbinnen weer een kleiner gedeelte met een afvalkuiJ in het midden. De rest bestond uit grasgrond: nachtwei voor het vee en cultusplek van de hoofdhof, de Heuvel. Uit enkele gegevens uit latere eeuwen - zeshonderd kribpalen voor palissadering van dominee's gracht, aan de binnenkant een doornenheg en dan weer een kring van iepen (tot 1778) - kan men opmaken dat deze versterking in de prehistorie bij activiteit van stropende benden een veilige toevlucht bood aan mens en huisdier. De afvalkuil werd gedicht; daar werd de eerste pastorie gebouwd. Ook de grachten werden, op een enkel restant met ooievaarsboom na, gedempt. Over deze historische plek loopt thans de President Kennedylaan.

6. De weg tussen akker- en weidegebied, tussen enk en broek, vormde in het eerste tijdperk van de nederzetting de hoofdweg. Het was "de straat". Langs deze straat, aan de hoge kant, en langs de groengronden van de beken verrezen de vroegste hoven. Hierlangs gingen de eerste bewoners bij elkaar op bezoek. En langs deze weg ontwikkelde zich allengs enig intercommunaal verkeer. Geleidelijk vond hier en daar een kleinere of grotere bochtafsnijding plaats. Het motief was hierbij niet de kortere afstand, maar een hogere en drogere route. De oude scheiding bleef echter, onverhard, bestaan. Bij de officiële straatnaamgeving ontving zij de naam Waterstraat. De tegenwoordige Waterstraat volgt ongeveer dezelfde loop. Ze is een van de hoofdverbindingen, die leidt naar Presikhaaf en het circuit. Op de foto (omstreeks 1940) ligt het broek er nog ongeschonden. Zelfs de stukjes voor de boerderijen van Duy ts en Gijsberts zijn er nog niet van afgeknabbeld. Links "De Ulenpas" van Minkman.

7. De Gasthuislaan was tot de tweede helft van de vorige eeuw een modderige landweg, dienstig voor de boeren bij hun gang naar weide en akker. In de tweede helft van de eeuw verrezen er enige arbeiderswoningen en grote villa's. De laatste wegens het vrije uitzicht op de landerijen van "Biljoen". Een van de villabewoners was de dichter Bernard ter Haar, die onder andere een fel gedicht naar het hoofd van de bewoner van "Biljoen" slingerde, toen deze overging tot het kappen van een groot deel van het zware bosbestand op Beekhuizen. De dienstbaarheid van de verbinding is intussen heel wat vergroot. Na een eerste modernisering (1910) vormt de laan thans een der toegangswegen naar het circuit en Presikhaaf. De heer Hugenholtz, een onzer vroegste fotografen en eveneens bewoner van de laan, vervaardigde bovenstaande foto. Zijn echtgenote schreef aan de andere zijde: "Gij moet nu eens komen zien, wat een pracht weg wij gekregen hebben, met gaslantaarns er bij! "

("-':::'11«- ~"''-

é' .? ~, ,,-J

8. Wie enig zicht heeft op de bouwstijl van onze kastelen, constateert bij het zien van kasteel "Biljoen" onmiddellijk: dit kan de vorm niet zijn, waarin Karel van Gelre het in 1530 in de plaats van het afgebroken "Broekerhave" deed verrijzen. Deze vechtersbaas in roerige tijden, in de late middeleeuwen, moet meer op afweer bedacht zijn geweest. In een nieuwe tijd werd het meer loge abel gemaakt. Op een kaart van de bekende landmeter Nic. van Geelkercken ontdekte schrijver dezes een vluchtige schets van het vroegere voorkomen: op de achterkant. Deze kaart vormde een bijlage van een proces over een uiterwaard aan de IJsseL Van Geelkerken is, blijkens enkele vergezellende schetsjes, over de zomerdam naar "Biljoen" gewandeld en vermoedelijk per diligence naar Arnhem teruggekeerd. De vlug neergeworpen krabbel toont door het aanbrengen van een enkel kleurtje het grimmige karakter van de burcht. Ook een voorpoort was aanwezig; deze werd in de dagen van baron Van Hardenbroek gesloopt (negentiende eeuw).

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek