Waalwijk in oude ansichten deel 1

Waalwijk in oude ansichten deel 1

Auteur
:   G.F. Couwenbergh
Gemeente
:   Waalwijk
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4133-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Waalwijk in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

IN LEIDING

Door de uitgeverij "Europese Bibliotheek" te Zaltbommel werd mij verzocht de samenstelling te verzorgen van het boekje "Waalwijk" in haar reeds alom bekende serie "In oude ansichten". Aan die uitnodiging heb ik gaarne gevolg gegeven en ik ben met de uitgeverij overeengekomen, dat dit boekje zich zal beperken tot de tijd van v66r 1 januari 1922. Tot die datum was er nl. sprake van drie gemeenten: Waalwijk, Baardwijk en Besoyen. Het boekje zal ongeveer 80 atbeeldingen bevatten, waarvan ongeveer 40 betrekking hebben op Waalwijk, ongeveer 20 op Baardwijk en ongeveer 20 op Besoyen. Het boekje zal daardoor zeker meer waardevol en zeker niet minder interessant zijn. De overeengekomen beperking heeft bovendien nog het voordeel, dat wellicht later nog eens een tweede deeltje "Waalwijk" in dezelfde serie zal kunnen verschijnen. Het in het gemeente-archief aanwezige fotomateriaal, voor dit doel door het gemeentebestuur welwillend tijdelijk beschikbaar gesteld, is daartoe ruimschoots toereikend.

Door de heer J. M. Vugts te Waalwijk zijn de opgenomen atbeeldingen van verduidelijkende onderschriften voorzien, waarvoor de gegevens met veel inspanning en veel moeite door hem werden verzameld en waarvoor ik hem ten zeerste erkentelijk ben.

Teneinde het boekje, vooral ook voor niet-inwoners, aan waarde te doen winnen voIgt hierna een beknopt historisch overzicht. De tegenwoordige gemeente Waalwijk is op 1 januari 1922 ontstaan door samenvoeging der vroegere gemeenten Waalwijk, Baardwijk en Besoyen. Het waren vanouds typische Langstraatdorpen; de bebouwing vertoonde een aaneengesloten reeks en aan geen uiterlijke kentekenen was te zien waar de bebouwing van Baardwijk en Besoyen ophield en die van Waalwijk begon.

Het merkwaardige was echter, dat voor 1814 Waalwijk tot Brabant behoorde en Baardwijk en Besoyen tot Holland. In het landsheerlijk tijdperk was Baardwijk een der .Jxrvendorpen", behorende tot het Land van Heusden en was Besoyen een der "zes Zuidhollandse dorpen", - die vallende onder het baljuwschap van Dordrecht - fiscaal en gerechtelijk een eenheid vormden. Het toenmalige Waalwijk vormde aldus, met de kleine heerlijkheid Gansoyen als uiterste noordpunt, een smalle enclave in het Hollandse gebied.

Waalwijk verkreeg in 1303 van hertog Jan II van Brabant uitgebreide privilegien en werd sindsdien gerekend onder de "smalle steden" van het hertogdom. Dat deze grenspositie voor Waalwijk niet voordelig was, bleek reeds het jaar daarop, toen in de strijd

tussen de Brabanders en Hollanders de laatstgenoemden erin slaagden de schans bij Gansoyen te veroveren (20 april 1304). Het lot van Waalwijk was bezegeld: het bloeiende vlek werd naar toenmalig krijgsgebruik gebrandschat en slechts rokende puinhopen bleven over.

Niet slechts deze grenspositie bleek voor Waalwijk noodlottig, ook zijn Jigging in het lage land van de Maas-delta was eeuwenlang fnuikend voor zijn ontwikkeling. Bij de St.-Elizabethsvloed (1421) ging Waalwijk andermaal te gronde en ook nadien bleef het water nog eeuwenlang de welvaart van Waalwijk en de andere Langstraatse dorpen belagen.

Deze belemmeringen hebben de uitgroei van Waalwijk tot een eigenlijke stad tegengehouden en in 1364 we I'd het een .Jieerlijkheid", waarvan de bezitters rechtstreeks aan het gezag van de landsheer onderworpen bleven.

Desondanks nam Waalwijk reeds in die tijd de positie in van economisch en cultureel streekmiddelpunt. De Waalwijkse markten genoten heinde en vel' bekendheid. In 1470 werd de grote kerk aan de haven gesticht en in hetzelfde jaar het later zeer bekende en aanzienlijke klooster "N azareth".

De Tachtigjarige Oorlog vormde opnieuw een grote

hinderpaal voor clke vorm van welvaart. Spaanse en Staatse troepen veroorzaakten om beurten de bevolking van het Brabantse platteland grote overlast en allerwege heerste in die tijd grauwe armoede. Een pestepidernie verhoogde in 1625 nog de ellende en eiste zijn slachtoffers onder vriend en vijand.

Na de vrede van Munster in 1648 deelden Waalwijk en omgeving de lotgevallen van het gewest NoordBrabant als generaliteitsland. De materiele toe stand werd nu gunstiger, doch de hefting van zware belastingen en de kwellende bevoogding door Hollandse overheidspersonen bleef een normale welvaartsontplooii'ng in de weg staan.

Toch zijn voor Waalwijk enkele belangrijke bestaansbronnen tot deze tijd terug te voer-n. Een daarvan was de paardenhandel. Paardenkooplieden uit Vlaanderen, uit Henegouwen, uit Artois, Normandie en andere delen van Frankrijk kochten op de Waalwijkse markten hun paarden of brachten elders gekochte paarden hier te zamen. Van Waalwijk uit werden de paarden door de hierin gespecialiseerde Waalwijkse "paardentrekkers" naar hun buitenlandse bestemming gevoerd. Dit was een avontnurliik en vermoeiend bedrijf (de tochten gingen te voet en men was dan ook vaak rnaanden onderweg) en bovendien niet zonder gevaar, omdat

op de terugreis veelal aanzienlijke geldbedragen werden meegevoerd. Menig paardentrekker heeft dan ook de tocht niet overleefd (onderweg ziek geworden, verongelukt of vermoord). De paardenhandel heeft zich lang gehandhaafd en is eerst rond 1900 aan betekenis gaan afnemen.

Waalwijk was ook in die tijd bekend door zijn Franse kostscholen (soms twee of drie tegelijk). Op de markten werd vooral door de aanwezigheid van Franse paardenkooplieden veel Frans gesproken en het is niet ondenkbaar, dat dit levendige contact met Franse kooplieden tot het ontstaan van die kostscholen belangrijk kan hebben bijgedragen. Deze Franse kostscholen zijn lang blijven voortbestaan (er was er nog een in 1830) en de leerlingen kwamen niet aIleen uit Waalwijk en omgeving, doch ook uit Eindhoven, Tilburg, Breda, Rotterdam, Gouda, Utrecht, Amsterdam, enz.

Ook enkele takken van nijverheid kwamen na de Tachtigjarige Oorlog tot ontwikkeling, waarvan aanvankelijk de bierbrouwerij de voornaamste plaats innam. In Waalwijk waren verschillende bierbrouwerijen gevestigd en verder waren er touwslagerijen, garentwijnderijen en looierijen annex schoenmakerijen, welke laatste van lieverlede de boventoon zouden gaan

voeren.

Het beroemde klooster Nazareth was reeds op het einde der 17de eeuw sterk in verval en leidde een kwijnend bestaan omdat geen novicen meer mochten worden aangenomen. Het werd in 1740 afgebroken en aIleen de namen Kloosterwerf en Kloostersteeg (de huidige Stationstraat) houden de herinnering levendig. De grote kerk, die in de Tachtigjarige Oorlog in puin was geschoten, werd in 1617 hersteld doch de toren werd niet herbouwd.

In 1619 verkreeg Waalwijk bekendheid als wijkplaats voor uit Holland gevluchte remonstranten en ook Hugo de Groot arriveerde in 1621 te Waalwijk na zijn vlucht uit Loevestein.

Van belang was ook vanouds te Waalwijk en in de gehele Langstraat de veehouderij, de handel in runderen, de vetweiderij en de hooi- en riethandel. De laaggelegen Langstraatse buitenpolders, die elk jaar opnieuw een of meermalen door het buitenwater werden overstroomd, waren ongeschikt voor akkerbouw doch leverden uitstekend wei- en hooiland. In de hooitijd heerste daar grote bedrijvigheid van boeren uit de omgeving van Tilburg, Oisterwijk, Udenhout, Loon op Zand, enz., die daar hooiland in bezit of in pacht hadden wegens de ongeschiktheid als weiland van de

schrale zandgronden in hun omgeving. Seizoenwerkers uit verre gebieden als Westfalen, Hannover, enz. (de zgn. hannekemaaiers) verdienden dan een goed loon met het maaien en omzetten van het gras.

Een belangrijke functie in het Waalwijkse economische leven werd in die tijd ook vervuld door de binnenschippers. De handel met Holland, vooral met Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Gouda, enz. was zeer Ievendig, vooral ook omdat de Waalwijkse haven tevens dienst deed voor Tilburg. Aan- en afvoer tot Tilburg geschiedde per kar. Deze Waalwijkse buurtschippers, marktschippers, hooi- en rietschippers, enz. hadden in hun schepen ook passagiers-accommodatie, want het schip was in die tijd wegens de veelal slechte toestand der wegen de aangewezen reisgelegenheid vanuit de Langstraat van en naar de Hollandse steden. In de Franse tijd verkreeg Waalwijk een zekere faam - hoe kon het anders met die Franse kostscholen en die levendige paardenhandel met Frankrijk - als haard van patriotten-activiteit. In de "Vaderlandse Societeit: Libertatis Amor" te Waalwijk was nagenoeg de gehele plaatselijke overheid vertegenwoordigd en er zijn aanwijzingen, dat er een sterke binding bestond met de Amsterdamse patriotten.

Met de komst der Fransen was ook een einde gekomen

aan de positie van het gewest Noord-Brabant als generaliteitsland. Toen het bij de vestiging van het koninkrijk een gelijkwaardige provincie was geworden en daarmede de grondslag was gelegd voor een normale welvaarts-ontplooiing, begon ook in Waalwijk het economise he leven voorgoed op gang te komen. Het reeds eerder ontstane overwicht van de leder- en schoennijverheid als middel van bestaan voor de Waalwijkse bevolking begon zieh nu sterk af te tekenen. Het aantal sehoenmakersbazen, dat met personeel werkte, groeide gestadig en daarmede ook de onderlinge concurrentie. Het produkt werd aan mode onderhevig, die van jaar tot jaar wisselde en de hoogste eisen aan de vakbekwaamheid stelde. Hieraan kon steeds worden voldaan en de alreeds verkregen superioriteitsfaam van het Waalwijkse schoeisel bleef zieh handhaven.

Toch ging het de sehoenmakerij niet altijd voor de wind. In tijden van algemene malaise, wanneer het vervaardigde sehoeisel weinig aftrek yond, hadden de schoenmakersbazen de grootste moeite het hoofd boven water te houden. De knechts bedelden om werk en velen trokken weg uit de Langstraat en vestigden zich als schoenlappers in de Hollandse steden, waar zij in "pothuizen" woonden en althans, zij het op

schamele wijze, aan de kost konden komen.

Dat de schoenmakersbazen nagenoeg zonder uitzondering gedwongen winkelnering toepasten, was hun onder dergelijke omstandigheden nauweIijks kwalijk te nemen; ze werden op hun beurt haast geruineerd door sluwe opkopers uit de steden, aan wie zij noodgedwongen hun opgestapelde voorraden schoeisel met verlies van de hand moesten doen. Vooral 1845 schijnt in dit opzicht een rampjaar te zijn geweest.

Intussen voltrok zich van lieverlede een bedrijfssplitsing: de schoenmakerij maakte zich los van de looierij. Aanvankelijk ging het aldus, dat een of meer zoons van een schoenmakersbaas de vervaardiging van schoenen ter hand nam en een of meer andere zoons het looien bleven beoefenen, doch op de duur werden het geheel afzonderIijke bedrijfstakken. Rond 1860 had zich dit splitsingsproces vrijwel geheel voltrokken. In dat jaar verscheen ook de eerste stikmachine ten toneIe, waarmede de geleidelijke mechanisatie van het bedrijf werd ingeluid. Begrijpelijkerwijze ondervond deze nieuwigheid aanvankelijk tegenstand onder de werknemers, die zich in hun bestaan bedreigd voelden. Doch de vooruitgang was niet te stuiten: de buitenlandse concurrentie noopte de ondernemer om "bij de tijd" te blijven. Dat de Waalwijkse schoenfabrikanten

hierin geslaagd zijn en zich in deze vaderlandse industrietak aan de top hebben weten te plaatsen, daarvan getuigt de vestiging te Waalwijk in 1915 van de rijksvakschool voor leerlooiers en schoenmakers met het daaraan verbonden rijksproefstation en de voorlichtingsdienst ten bate der leder- en schoenindustrie, van welke instituten later de status is gewijzigd, hetgeen echter buiten het bestek van dit overzicht valt.

AIs bijzondere feiten in de periode van de Franse tijd tot 1922, waarbij ten dele ook de aloude positie van Waalwijk als streekmiddelpunt werd beklemtoond, kunnen nog worden vermeld: de aanwijzing van Waalwijk als zetel van een kantongerecht, van een kamer van koophandel en fabrieken, van een rijksbelastingkantoor, van een regionale gezondheidscomrnissie, van een dagnormaalschool, van een streek-avondtekenschool, van een nutsdepartement, enz.

Dat het culturele leven met de gestadige groei en welvaart van Waalwijk gelijke tred heeft gehouden, bewijzen enkele ingevoegde gezelschapfoto's, die het verenigingsleven weerspiegelen.

Moge het boekje zich in de belangstelling zowel van ingezetenen als van niet-ingezetenen verheugen.

G. F. Couwenbergh

WaaJwijk. Voorgevel rooms-katholieke kerk St.-Jan de Doper. Deze kerk was een zgn. waterstaatskerk (gebouwd volgens plannen, door het departement van Waterstaat goedgekeurd en gesubsidieerd). De kerk is in gebruik genom en op 21 oktober 1859 en gesloopt in 1924 om plaats te maken voor de huidige roorns-katholieke kerk St.-Jan de Doper. De kerk had drie altaren, aan de oostzijde het O.L. Vrouwaltaar, in het midden het hoofdaltaar en aan de westzijde het St.-Josephaltaar. Het interieur was uitgevoerd in barokstijl. Tot 1851 was deze kerk gemeenschappelijk voor Waalwijk en Besoyen. In dat jaar werd Besoyen een zelfstandige parochie en bouwde zelf een rooms-katholieke kerk. De ingangspartij van de oude St.-Janskerk is nog te zien, ze is gebouwd in de westzijde van de toren in de huidige St.-Janskerk.

Gedeelte van de Kloosterwerf met roorns-katholieke kerk St.-Jan de Doper in 1912, gezien vanuit de Stationsstraat. De gebouwen rechts waren overblijfselen van het in 1471 gestichte zusterklooster Onze Lieve Vrouw Huize Nazareth. In 1731 werden de zusters verjaagd en het klooster werd gebruikt als kazerne voor doortrekkende soldaten. Later zijn er woningen in gebouwd. Bekend was in dit gedeelte het cafe van Willem en Mieke Kolsteren. De laatste bewoner van de Kloosterwerf Arn. M. v. d. Broek vertrok in 1961, waarna het laatste gedeelte gesloopt werd.

val tier Klokkenlaan - Waalwijk. -

10

Waalwijk, het station der Nederlandse Spoorwegen aan de Burgemeester van der Klokkenlaan in 1910. Bet station werd gebouwd in 1888 aan de spoorbaan 's-HertogenboschLage Zwaluwe, bekend als het "halve zolen lijntje". Bet personenvervoer op deze lijn werd op 1 augustus 1950 opgeheven, ondanks vele protesten, waarna het station in 1963 werd gesloopt.

Waalwijk, oud raadhuis aan de Grotestraat. Na de grote brand op 24 juni 1824 waarbij ook het raadhuis verloren ging, had het gemeentebestuur jarenlang geen vast onderkomen. Op 15 april 1854 werd "een sterke bierbrouwerij" gekocht voor f 4000,- van Joseph Vincent Hoffmans, koopman te Antwerpen. Op 1 januari 1855 werd het gebouw als raadhuis in gebruik genomen. In het pand waren ondergebracht het kantongerecht, marechaussee-kazeme, veldwachterswoning, huis van bewaring, cipierswoning en tekenschool. Later maakte ook de kamer van koophandel gebruik van het gebouw. Na 77 jaar in gebruik te zijn geweest, werd het pand in 1932 gesloopt, om de aanleg van het Raadhuisplein mogelijk te maken.

12

Waalwijk, het westelijk deel van de Grotestraat, in de richting van de hervormde kerk in 1915. Op de voorgrond met fiets aan de hand 1. Torn, een bekende figuuruit de looierswereld. Het pand links op de voorgrond werd later gesloopt voor het bouwen van de villa van B. Timmermans van Turenhout.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek