Zuilichem in oude ansichten deel 2

Zuilichem in oude ansichten deel 2

Auteur
:   J.H.G.J. van Heeswijk
Gemeente
:   Brakel
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3326-5
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Zuilichem in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Tot aan de tweede he1ft van deze eeuw hebben de dorpen van de Bomme1erwaard weinig of geen welvaart gekend. Zuilichem was daarop geen uitzondering. Uit de statistiek van de inkomens in Nederland over 1940-1941 blijkt dat het gemidde1d jaarinkomen per inwoner van Zuilichem (dus niet per gezinshoofd! ), tot de ailerlaagste behoorde, niet aileen van Ge1derland maar ook van Nederland, namelijk f 74,-. Dat er elders in ons land gemeenten waren waar de toestand nog slechter was, kon voor de inwoners van Zuilichem slechts een schrale troost zijn. In Appeltern b.v. was dit jaarinkomen f 72,- per inwoner en in Veen slechts f 65,- tegen f 369,- voor heel Nederland.

Dit heeft echter niet aan de inwoners van Zuilichem ge1egen maar aan de gehe1e socia1e en economische toestand in dit gebied. Immers, zij waren voortvarend genoeg hetgeen onder andere blijkt uit de teelt van vroege aardappe1en. Hier werd op de in het voorjaar ondergespitte verse sta1mest het inheemse ras "Schoo1meester" getee1d. Deze broeimest maakte het mogelijk dat "de Schoo1meester" altijd het eerst aan de markt kwam. Deze tee1t geschiedde hier voornamelijk op kleine bedrijfjes, die verreweg het merendee1 van de agrarische bedrijvigheid uitmaakten. De meeste Zuilichemse bedrijfjes waren niet groter dan een hectare. Zij konden aileen al van de aardappelteelt bestaan. Men kan begrijpen hoe kwetsbaar deze bedrijfjes waren, a1s men bedenkt dat de nateelt meesta1 uit knollen bestond. Misoogsten door aard-

appe1ziekte, hoog water en muizenp1agen kwamen voorin 1866, 1867, 1881 en 1882, 1888 en 1900. Vee1 arbeiders van de steenfabriek, de hooipers en andere bedrijven hadden ze1f een stukje land, dat een we1kome aanvulling vormde op hun inkomen. Zij trachtten zich op te werken tot k1eine boeren. Ve1e huizen in Zuilichem waren hierop niet berekend en waren dan ook vee1 te klein. De koeien stonden bijna in de keuken en de geiten dikwij1s op een zolder. Voor het hooi was geen p1aats en dit werd dan ook op de dijkheiling of in de wegberm bij het huis opgetast. De onts1uiting van het dorp was ook een van de remmende factoren voor de vooruitgang. Het ontbreken van verbindingswegen noopte de inwoners over de bochtige dijk te gaan, want bijna aile wegen buiten de bebouwde kom naar de binnenve1den waren onvo1doende of in het geheel niet verhard. In de herfst en de winter en in de regentijden was het niet doenlijk met een voertuig over deze po1derwegen te rijden. De 1anderijen in het binnenve1d waren dan ook niet geschikt voor bouw1and. Ze konden toen slechts gebruikt worden a1s weiland. Voor het rundvee leverde dit weiland zelfs nog geen goed hooi op. nit ging dan ook naar de hooihandel. Een groot gedeelte van dit binnen1ands hooi ging weg voor paardenhooi naar de stalhouderijen. De rest werd geexporteerd naar het buiten1and.

De Zuilichemse hooipers stond van 1862 tot 1868 stil. In 1aatstgenoemd jaar kwam het bedrijf vol in werking en verwerkte 1,5 miljoen Nederlandse

ponden hooi en 100.000 Nederlandse ponden stro bestemd voor Engeland en Antwerpen. De hooipers verschafte vele arb eiders gedurende de wintermaanden werk tegen een toen hoog dagloon. In 1886, toen de hooipers eigendom was van C. Duijser en St. F. Monhemius, werkten hier 25 mannen en 6 jongens. Soms draaide dit bedrijf het gehele jaar door en soms werkte het slechts af en toe. Voor vele Zuilichemse boeren kon de hooihandel niet gemist worden, maar na 1930 zijn de prijzen zo ingezakt, dat zij met deze handel grote verliezen leden.

De gebrekkige waterbeheersing hield zoals we reeds zagen de ontwikkeling van de land- en tuinbouw tegen. Alhoewel de polder Zuilichem slechts 474 hectare groot was en over een watermolen en een motorgemaal beschikte, beide aan de Meidijk gelegen, konden zij samen het water niet aan dat door regen, kwel en van de boven gelegen polders zich in de laag gelegen binnenpolder verzamelde. Na de Tweede Wereldoorlog is door de ruilverkaveling en ingrijpende verbeteringen in het stelsel van watergangen, veel verbeterd. Nu kon ook de tuinbouw in Zuilichem zich uitbreiden en de welvaart toenemen.

Een bedrijf waar vele inwoners van Zuilichem in de loop van meer dan twee eeuwen een boterham verdienden was de steenfabriek. Reeds in 1724 was er in Zuilichem een veldoven. Maar ook deze fabriek was erg conjunctuurgevoelig. Dit blijkt onder andere uit het wisselend aantal werknemers. Dit aantal werd ook beinvloed door de langzaam voortschrijdende mecha-

nisatie in deze bedrijfstak. In 1852 werkten er nog 85 personen en werden er 4.400.000 stenen gebakken. In 1864 werkten in Zuilichem op de steenfabriek 43 mannen, 7 vrouwen, 16 jongens en 10 meisjes beneden de 16 jaar. De mannen verdienden f 0,80 tot f 1,60 per dag. De vrouwen f 0,40 tot f 0,80, de jongens f 0,25 tot f 1,05 en de meisjes f 0,20 tot f 0,80. De produktie bedroeg 4,1 miljoen stenen. En voor de vergelijking: de gemeente Zuilichem telde toen 711 inwoners. In 1901 bedroeg de personeelsbezetting 30 mannen, 6 vrouwen en 6 jongens en men had toen de beschikking over een stoommachine van 8 pk. Ingevolge het vele natte weer in 1912 was de produktie ongunstig en in 1917 lag de fabriek het gehele jaar stil. Ret volgende jaar werd de steenfabricage weer opgevat met 12 mannen en 3 jongens. Maar van de resultaten wordt geen gewag meer gemaakt.

Er zijn in Zuilichem ook nog een paar kleinere bedrijfjes geweest. Zo he eft het dorp ook een brouwerij gehad, maar deze is reeds in 1821 opgeheven. Ook is er de zalmvisserij uitgeoefend, maar deze nering was in 1851 reeds tanende. Ter plaatse waar later de hooipers stond aan de Waaldijk werd in 1835 een zoutziederij opgericht. Dit bedrijf heeft tot 1855 bestaan. In 1852 werkten hier drie personen tegen een vast weekloon van f 4,-. Met twee zoutpannen werd er 250.000 tot 300.000 pond zout geraffineerd.

Rond 1900 bestonden er in Zuilichem ook nog 4 bandschillerijen waar 4 mannen, 3 vrouwen, 8 jongens en 6 meisjes arbeid vonden.

1. In dit herenhuis aan het Boveneind van Zuilichem woonde Cornelis Duijser, hooihandelaar en here boer, die naast het gemeentehuis een hooiperserij dreef. Zelf zit hij op de bank voor het huis rechts. Deze kiek werd rond de eeuwwisseling genom en. Na de dood van Cornelis Duijser in 1927 werd het huis aan verschillende mensen verhuurd. In 1937 werd het sam en met de hooipers bij een openbare veiling gekocht door Frans B. Duijzer die ook in hooi handelde, maar geen familie was. Op de hoogkar op de achtergrond zit Arie van den Bogerd (?). Slechts enkele boeren in Zuilichem hadden een hoogkar. Deze karren werden onder andere gebruikt om met aardappels naar de Bossche markt te gaan. Men vertrok dan's nachts uit Zuilichem en het paard wist blindelings zijn weg te vinden naar de Brabantse hoofdstad. Dit huis staat op het terrein van het voormalige kasteel, waarvan tot voor kort ter plaatse nog muurresten werden aangetroffen.

2. Dit stukje Waaldijk is tegenwoordig moeilijk meer te herkennen, want bijna alle huizen zijn in de loop van de tijd verbouwd of bij de dijkverzwaring afgebroken. Rechts vooraan het Hulpkantoor der Posterijen zoals het bord op de voorgevel aangeeft. Hier woonde in 1903 Kornelis van Rijswijk, brievengaarder. Hij werd als bewoner van dit pand opgevolgd door de schoenmaker Cornelis van Bommel, die in 1910 naar Dordrecht vertrok. Toen werd dit huis betrokken door de winkelier Andries van Rossum. Van 1915 af woonde er het hoofd van de christelijke school. De schuur daarnaast was van de voornoemde Andries van Rossum, die tevens een kolenhandel dreef. V66r hem zat daar de koopman Jan ter Wal. In het huis dat boven de schuur uitstak oefende Engelbertus van Dalen het landbouwbedrijf uit. Toen deze foto gemaakt werd, woonde in het pand, waarvan nog juist de deur met bovenlicht te zien is, de winkelier Gerrit Jan van Loopik, die ook in brandstoffen handelde en een boerderij had. Na zijn vertrek in 1923 vestigde Pieter Dirk van Horssen er een herberg in. Hij woonde eerst in het veerhuis links, waar hij als bewoner en veerman werd opgevolgd door Zegert Goedhart. De man in het zwarte pak was meester H.C. Weidenaar, hoofd van de openbare school, en de tweede van links was de onbezoldigd veldwachter Kees Maas.

Dorpsgezicht. Zuilichem.

3. De jeugd van de openbare school maakte dankbaar gebruik van de gelegenheid dat de fotograaf kiekjes van hun dorp kwam maken. Links (met de hoed) het hoofd van de school Kranendonk en naast hem de onderwijzer Homan. Rechts zien we Leen Dingemans, Jan van Wijgerden, Wouter Benckhuyzen en in de deuropening Koos Benckhuyzen. Deze foto werd omstreeks 1923 genomen op de Waaldijk bij de Kerkstoep. Op de achtergrond het gemeentehuis.

?'"':""~ '.

4. De hervormde kerk van Zuillchem vanuit het zuiden gezien. De kerk werd in 1659 verbouwd en pas in 1790 kreeg de toren een spits. In 1886 brandde deze af, tegelijk met het dak van de kerk waarbij ook het inwendige van de kerk veel schade opliep. Kerk en toren waren in 1889 weer hersteld, totdat de Duitsers op 23 april 1945 het gebouw opbliezen. Op de voorgrond het Kerkwegje.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek